volleerd
bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- alles geleerd hebben wat er maar te leren valt op een bepaald gebied of nodig is voor een bepaalde taak
- zo ervaren zijn dat je niets meer hoeft bij te leren om een bepaalde taak uit te kunnen voeren
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| volleerde | verbogen, stellende trap |
| volleerder | onverbogen, vergrotende trap |
| volleerdere | verbogen, vergrotende trap |
| volleerders | partitief, vergrotende trap |
| volleerds | partitief, stellende trap |
| volleerdst | onverbogen, overtreffende trap |
| volleerdste | verbogen, overtreffende trap |
Herkomst
samenstelling van vol bn en leren ww
Woordfamilie van volleerd
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| volleerder | vergrotende trap | volleerd |
| volleerdere | verbogen vergrotende trap | volleerd |
| volleerders | partitieve vergrotende trap | volleerd |
| volleerds | partitive, positive | volleerd |
| volleerdst | uninflected, superlative | volleerd |
| volleerdste | inflected, superlative | volleerd |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van volleerd zijn vastgelegd.