vogelen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- het voor hobby bekijken en determineren van vogels
- geslachtsgemeenschap hebben
- vogels, archaïsch meervoud van vogel
Vervoeging van vogelen
vogelenhele werkwoord — vogeldeverleden tijd enkelvoud — vogeldenverleden tijd meervoud — gevogeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vogel | vogelde |
| jij | vogelt | vogelde |
| hij, zij, het | vogelt | vogelde |
| wij | vogelen | vogelden |
| jullie | vogelen | vogelden |
| zij | vogelen | vogelden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gevogeld | verleden tijd, deelwoord |
| gevogeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevogeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gevogeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gevogeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gevogeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gevogeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gevogeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gevogeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gevogeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gevogeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevogeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gevogeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevogeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gevogeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gevogeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevogeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevogeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gevogeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vogelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vogelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vogel | gebiedende wijs |
| vogelde | verleden tijd |
| vogele | aanvoegende wijs |
| vogelend | onvoltooid, deelwoord |
| zal gevogeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevogeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gevogeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vogelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vogelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vogelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gevogeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevogeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevogeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vogelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vogelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vogelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gevogeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevogeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevogeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vogelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vogelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vogelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gevogeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vogelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gevogeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevogeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevogeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vogelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vogelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vogelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vogelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gevogeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vogelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
[2] In de betekenis van ‘neuken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287 , vergelijk Duits vögeln
Woordfamilie van vogelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gevogeld | voltooid deelwoord | vogelen |
| vogelde | verleden tijd | vogelen |
| vogelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vogelen |
| vogele | aanvoegende wijs | vogelen |
| vogelend | onvoltooid deelwoord | vogelen |
| vogelende | woordvorm | vogelen |
| vogelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vogelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vogelen zijn vastgelegd.