vlijen
werkwoord /vlɛɪə(n)/Betekenis
- op een geordende manier, comfortabel neerleggen
- op zijn gemak gaan liggen, meestal tegen iets of iemand aan
Hoe spreek je vlijen uit?
/vlɛiən/
Vlijen bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| l | land |
| ɛi | trein |
| ə | de |
| n | nek |
Vervoeging van vlijen
vlijenhele werkwoord — vlijdeverleden tijd enkelvoud — vlijdenverleden tijd meervoud — gevlijdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vlij | vlijde |
| jij | vlijt | vlijde |
| hij, zij, het | vlijt | vlijde |
| wij | vlijen | vlijden |
| jullie | vlijen | vlijden |
| zij | vlijen | vlijden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gevlijd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gevlijd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gevlijd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gevlijd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gevlijd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gevlijd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gevlijd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gevlijd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gevlijd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gevlijd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gevlijd | verleden tijd, deelwoord |
| gevlijd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gevlijd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gevlijd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevlijd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevlijd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevlijd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gevlijd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gevlijd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gevlijd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gevlijd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gevlijd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gevlijd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gevlijd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gevlijd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gevlijd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gevlijd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gevlijd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gevlijd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevlijd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gevlijd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevlijd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gevlijd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gevlijd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevlijd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevlijd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gevlijd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gevlijd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gevlijd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vlijen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vlijen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vlij | gebiedende wijs |
| vlij me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| vlij u/je , vlijt je | gebiedende wijs |
| vlijde | verleden tijd |
| vlijde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| vlijde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| vlijde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| vlijde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| vlijde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| vlijde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| vlijde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| vlijden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| vlijden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| vlijden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| vlije | aanvoegende wijs |
| vlije zich | aanvoegende wijs |
| vlijen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| vlijen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| vlijen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| vlijend | onvoltooid, deelwoord |
| vlijt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| vlijt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| vlijt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| vlijt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| vlijt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| vlijt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| waart gevlijd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gevlijd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gevlijd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gevlijd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gevlijd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gevlijd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gevlijd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gevlijd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gevlijd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gevlijd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gevlijd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gevlijd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gevlijd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gevlijd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gevlijd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gevlijd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gevlijd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gevlijd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gevlijd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gevlijd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gevlijd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevlijd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gevlijd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gevlijd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevlijd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gevlijd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevlijd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal me vlijen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal vlijen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vlijen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vlijen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich vlijen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je vlijen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich gevlijd hebben | verleden tijd |
| zich vlijend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn gevlijd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gevlijd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gevlijd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gevlijd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gevlijd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevlijd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevlijd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gevlijd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevlijd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gevlijd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevlijd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevlijd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevlijd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vlijen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vlijen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vlijen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gevlijd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevlijd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevlijd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gevlijd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gevlijd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gevlijd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gevlijd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevlijd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevlijd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vlijen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vlijen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vlijen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gevlijd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gevlijd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gevlijd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vlijen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gevlijd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevlijd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevlijd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gevlijd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘ordelijk of gemakkelijk neerleggen’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1343
Woordfamilie van vlijen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gevlijd | voltooid deelwoord | vlijen |
| gevlijde | woordvorm | vlijen |
| vlij | gebiedende wijs | vlijen |
| vlijde | verleden tijd | vlijen |
| vlijden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vlijen |
| vlije | aanvoegende wijs | vlijen |
| vlijend | onvoltooid deelwoord | vlijen |
| vlijende | woordvorm | vlijen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vlijen zijn vastgelegd.