Naar de inhoud

snijden

met een scherp voorwerp in stukken delen

snijden

werkwoord /snɛɪə(n)/

Betekenis

  1. met een scherp voorwerp in stukken delen
  2. de tegenstander een hoge kaart, gewoonlijk de koning, uit handen spelen
  3. een gemeenschappelijk punt hebben met een andere lijn
  4. castreren
  5. van de weg afdringen na het inhalen
  6. (iemand...) bedriegen, afzetten

Hoe spreek je snijden uit?

/snɛiən/

Snijden bestaat uit één lettergreep.

De tekens in /snɛiən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
s sok
n nek
ɛi trein
ə de

werkwoord

  1. met een scherpvoorwerp afbeeldingen in hout snijden
  2. bedriegen, afzetten

Vervoeging van snijden

snijdenhele werkwoord — sneedverleden tijd enkelvoud — snedenverleden tijd meervoud — gesnedenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik snij sneed
jij snijdt sneed
hij, zij, het snijdt sneed
wij snijden sneden
jullie snijden sneden
zij snijden sneden
Alle 62 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
er is gesneden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gesneden impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gesneden impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gesneden impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gesneden worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gesneden zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gesneden worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gesneden zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. snij/ snijd gebiedende wijs
gesneden verleden tijd, deelwoord
gesneden te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gesneden zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gesneden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gesneden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gesneden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gesneden voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gesneden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gesneden voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gesneden voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gesneden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gesneden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gesneden voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gesneden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gesneden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gesneden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gesneden voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gesneden voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
sneed verleden tijd
snijde aanvoegende wijs
snijdend onvoltooid, deelwoord
te hebben gesneden actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te snijden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen snijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gesneden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gesneden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gesneden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal snijden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal snijden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal snijden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gesneden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gesneden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gesneden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou snijden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou snijden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou snijden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gesneden hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gesneden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gesneden hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden snijden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden snijden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden snijden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gesneden hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt snijden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gesneden hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gesneden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gesneden hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen snijden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen snijden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen snijden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen snijden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gesneden hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult snijden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘met een scherp werktuig scheiden’ voor het eerst aangetroffen in 1100

Woordfamilie van snijden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gesneden voltooid deelwoord snijden
sneed verleden tijd snijden
sneedt aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon snijden
snij aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon snijden
snijd aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon snijden
snijde aanvoegende wijs snijden
snijdt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon snijden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van snijden zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over snijden

Hoe spreek ik snijden uit?
Zo spreek je snijden uit: /snɛɪə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft.
Wat is de betekenis van snijden?
Snijden is een werkwoord. De betekenis is: met een scherp voorwerp in stukken delen. In totaal staan er 8 betekenissen.
Hoe vervoeg ik snijden?
Zo vervoeg je snijden zo: de tegenwoordige tijd is snij, de verleden tijd is sneed en het voltooid deelwoord is gesneden. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op snijden?

In dit woordenboek rijmen 8 woorden op -en op snijden, zoals gedijen, vlijen en aalbessengeleien. Het gaat om staand rijm: de klank vanaf de laatste beklemtoonde klinker is gelijk.

Rijmwoorden op snijden, uitspraak snɛiən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
gedijen 2
vlijen 1
aalbessengeleien 5
bijen 1
dienstklopperijen 4
garnalenpellerijen 6
grietenijen 3
vespereien 3

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord snijden is 12 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. S 2
  2. N 1
  3. I 1
  4. J 4
  5. D 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 12 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

snijden levert met Wordfeud minimaal 13 en maximaal 103 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. S 2
  2. N 1
  3. I 2
  4. J 4
  5. D 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 13 zonder bonus
  9. 103 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (J) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

snijden telt 7 letters, waarvan 6 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

snijden in het kort

snijden staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 8 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van snijden staan er 42 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort snijden bij een woordfamilie van 7 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

snijden: met een scherp voorwerp in stukken delen
Deel snijden — standaardnederlands.nl