snijden
werkwoord /snɛɪə(n)/Betekenis
- met een scherp voorwerp in stukken delen
- de tegenstander een hoge kaart, gewoonlijk de koning, uit handen spelen
- een gemeenschappelijk punt hebben met een andere lijn
- castreren
- van de weg afdringen na het inhalen
- (iemand...) bedriegen, afzetten
Hoe spreek je snijden uit?
/snɛiən/
Snijden bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| n | nek |
| ɛi | trein |
| ə | de |
werkwoord
- met een scherpvoorwerp afbeeldingen in hout snijden
- bedriegen, afzetten
Vervoeging van snijden
snijdenhele werkwoord — sneedverleden tijd enkelvoud — snedenverleden tijd meervoud — gesnedenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | snij | sneed |
| jij | snijdt | sneed |
| hij, zij, het | snijdt | sneed |
| wij | snijden | sneden |
| jullie | snijden | sneden |
| zij | snijden | sneden |
Alle 62 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gesneden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gesneden | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gesneden | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gesneden | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gesneden worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gesneden zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gesneden worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gesneden zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. snij/ snijd | gebiedende wijs |
| gesneden | verleden tijd, deelwoord |
| gesneden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gesneden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gesneden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gesneden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gesneden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gesneden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gesneden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gesneden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gesneden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gesneden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesneden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gesneden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gesneden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gesneden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gesneden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesneden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gesneden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sneed | verleden tijd |
| snijde | aanvoegende wijs |
| snijdend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gesneden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te snijden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen snijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gesneden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gesneden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gesneden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal snijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal snijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal snijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gesneden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gesneden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gesneden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou snijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou snijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou snijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gesneden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gesneden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gesneden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden snijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden snijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden snijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gesneden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt snijden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gesneden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gesneden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gesneden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen snijden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen snijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen snijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen snijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gesneden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult snijden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘met een scherp werktuig scheiden’ voor het eerst aangetroffen in 1100
Woordfamilie van snijden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gesneden | voltooid deelwoord | snijden |
| sneed | verleden tijd | snijden |
| sneedt | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 2e persoon | snijden |
| snij | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon | snijden |
| snijd | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 1e persoon | snijden |
| snijde | aanvoegende wijs | snijden |
| snijdt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | snijden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van snijden zijn vastgelegd.