vliegeren
werkwoord ˈvliɣərə(n)Betekenis
- het oplaten van een vlieger
Hoe spreek je vliegeren uit?
/ˈvlixərən/
Vliegeren bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| l | land |
| i | riet |
| x | acht |
| ə | de |
| r | rood |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van vliegeren
vliegerenhele werkwoord — vliegerdeverleden tijd enkelvoud — vliegerdenverleden tijd meervoud — gevliegerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vlieger | vliegerde |
| jij | vliegert | vliegerde |
| hij, zij, het | vliegert | vliegerde |
| wij | vliegeren | vliegerden |
| jullie | vliegeren | vliegerden |
| zij | vliegeren | vliegerden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gevliegerd | verleden tijd, deelwoord |
| gevliegerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevliegerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gevliegerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gevliegerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gevliegerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gevliegerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gevliegerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gevliegerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gevliegerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gevliegerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevliegerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gevliegerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevliegerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gevliegerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gevliegerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevliegerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevliegerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gevliegerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vliegeren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vliegeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vlieger | gebiedende wijs |
| vliegerde | verleden tijd |
| vliegere | aanvoegende wijs |
| vliegerend | onvoltooid, deelwoord |
| zal gevliegerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevliegerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gevliegerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vliegeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vliegeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vliegeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gevliegerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevliegerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevliegerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vliegeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vliegeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vliegeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gevliegerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevliegerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevliegerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vliegeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vliegeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vliegeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gevliegerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vliegeren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gevliegerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevliegerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevliegerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vliegeren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vliegeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vliegeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vliegeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gevliegerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vliegeren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordfamilie van vliegeren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gevliegerd | voltooid deelwoord | vliegeren |
| vliegerde | verleden tijd | vliegeren |
| vliegerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vliegeren |
| vliegere | aanvoegende wijs | vliegeren |
| vliegerend | onvoltooid deelwoord | vliegeren |
| vliegerende | woordvorm | vliegeren |
| vliegert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vliegeren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vliegeren zijn vastgelegd.