veto
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- het recht, dat aan één of meer partijen van een besluitvormende raad kan zijn verleend, om het in stemming brengen van voorstellen te verbieden of aangenomen besluiten ongeldig te verklaren
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| veto's | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vetoën
- gebiedende wijs van vetoën
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vetoën
Vervoeging van veto
vetohele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘verbod’ voor het eerst aangetroffen in 1778
Woordfamilie van veto
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| veto's | meervoud | veto |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van veto zijn vastgelegd.