Naar de inhoud

vestigen

stichten, beginnen, oprichten

vestigen

werkwoord ˈvɛstəɣə(n)

Betekenis

  1. stichten, beginnen, oprichten
  2. richten.
  3. zich ~ (van personen): er gaan wonen

Hoe spreek je vestigen uit?

/ˈvɛstəxən/

Vestigen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈvɛstəxən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
v vis
ɛ bed
s sok
t tak
ə de
x acht
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van vestigen

vestigenhele werkwoord — vestigdeverleden tijd enkelvoud — vestigdenverleden tijd meervoud — gevestigdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik vestig vestigde
jij vestigt vestigde
hij, zij, het vestigt vestigde
wij vestigen vestigden
jullie vestigen vestigden
zij vestigen vestigden
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gevestigd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gevestigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gevestigd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gevestigd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gevestigd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gevestigd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gevestigd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gevestigd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gevestigd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gevestigd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gevestigd verleden tijd, deelwoord
gevestigd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gevestigd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gevestigd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gevestigd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gevestigd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gevestigd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gevestigd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gevestigd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gevestigd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gevestigd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gevestigd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gevestigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gevestigd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gevestigd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gevestigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gevestigd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gevestigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gevestigd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gevestigd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gevestigd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gevestigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gevestigd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gevestigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gevestigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gevestigd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gevestigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gevestigd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben gevestigd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te vestigen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen vestigen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
vestig gebiedende wijs
vestig me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
vestig u/je , vestigt je gebiedende wijs
vestigde verleden tijd
vestigde je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
vestigde me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
vestigde u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
vestigde u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
vestigde zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
vestigde zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
vestigde zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
vestigden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
vestigden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
vestigden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
vestige aanvoegende wijs
vestige zich aanvoegende wijs
vestigen je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
vestigen ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
vestigen zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
vestigend onvoltooid, deelwoord
vestigt je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
vestigt u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
vestigt u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
vestigt zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
vestigt zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
vestigt zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
waart gevestigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gevestigd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gevestigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gevestigd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gevestigd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gevestigd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gevestigd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gevestigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gevestigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gevestigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gevestigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gevestigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gevestigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gevestigd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gevestigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gevestigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gevestigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gevestigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gevestigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gevestigd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gevestigd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gevestigd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gevestigd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gevestigd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gevestigd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gevestigd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gevestigd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal me vestigen eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal vestigen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal vestigen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal vestigen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal zich vestigen derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je vestigen tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich gevestigd hebben verleden tijd
zich vestigend onvoltooid, deelwoord
zijn gevestigd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gevestigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gevestigd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gevestigd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gevestigd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gevestigd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gevestigd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gevestigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gevestigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gevestigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gevestigd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gevestigd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gevestigd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou vestigen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou vestigen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou vestigen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gevestigd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gevestigd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gevestigd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gevestigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gevestigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gevestigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gevestigd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gevestigd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gevestigd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden vestigen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden vestigen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden vestigen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gevestigd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gevestigd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gevestigd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt vestigen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gevestigd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gevestigd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gevestigd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gevestigd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon

Herkomst

In de betekenis van ‘stichten, nederzetten’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1323

Woordfamilie van vestigen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
vestig gebiedende wijs vestigen
vestigde verleden tijd vestigen
vestigden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon vestigen
vestige aanvoegende wijs vestigen
vestigend onvoltooid deelwoord vestigen
vestigende woordvorm vestigen
vestigt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon vestigen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vestigen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over vestigen

Hoe spreek je vestigen uit?
De uitspraak van vestigen is: /ˈvɛstəɣə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent vestigen?
Vestigen is een werkwoord. Het woord betekent: stichten, beginnen, oprichten. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je vestigen?
Je vervoegt vestigen als volgt: de tegenwoordige tijd is vestig, de verleden tijd is vestigde en het voltooid deelwoord is gevestigd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op vestigen?

Op vestigen rijmen 2 woorden, onder andere bevestigen en gezestigen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op vestigen, uitspraak ˈvɛstəxən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
bevestigen 4
gezestigen 4

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord vestigen is 15 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. E 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. I 1
  6. G 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 15 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

vestigen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. E 1
  3. S 2
  4. T 2
  5. I 2
  6. G 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 16 zonder bonus
  10. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

vestigen in het kort

vestigen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van vestigen zijn 103 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort vestigen bij een woordfamilie van 7 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

vestigen: stichten, beginnen, oprichten
Deel vestigen — standaardnederlands.nl