verwilderen
werkwoordBetekenis
- vervallen in een staat van wildheid
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van verwilderen
verwilderenhele werkwoord — verwilderdeverleden tijd enkelvoud — verwilderdenverleden tijd meervoud — verwilderdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verwilder | verwilderde |
| jij | verwildert | verwilderde |
| hij, zij, het | verwildert | verwilderde |
| wij | verwilderen | verwilderden |
| jullie | verwilderen | verwilderden |
| zij | verwilderen | verwilderden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben verwilderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verwilderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is verwilderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verwilderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te verwilderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn verwilderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verwilderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verwilder | gebiedende wijs |
| verwilderd | verleden tijd, deelwoord |
| verwilderd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verwilderd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verwilderde | verleden tijd |
| verwildere | aanvoegende wijs |
| verwilderend | onvoltooid, deelwoord |
| waart verwilderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verwilderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verwilderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verwilderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verwilderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verwilderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verwilderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal verwilderd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verwilderd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verwilderd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verwilderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verwilderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verwilderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn verwilderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn verwilderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verwilderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verwilderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verwilderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verwilderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verwilderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verwilderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verwilderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verwilderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verwilderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verwilderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verwilderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verwilderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verwilderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verwilderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verwilderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verwilderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verwilderen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verwilderd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verwilderd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verwilderd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verwilderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verwilderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verwilderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verwilderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verwilderd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verwilderen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van wilder met het voorvoegsel ver- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van verwilderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verwilder | gebiedende wijs | verwilderen |
| verwilderden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verwilderen |
| verwildere | aanvoegende wijs | verwilderen |
| verwilderend | onvoltooid deelwoord | verwilderen |
| verwilderende | woordvorm | verwilderen |
| verwildert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verwilderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verwilderen zijn vastgelegd.