vervatten
werkwoordBetekenis
- bevatten, omvatten, inhouden, behelzen
Vervoeging van vervatten
vervattenhele werkwoord — vervatteverleden tijd enkelvoud — vervatvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vervat | vervatte |
| jij | vervat | vervatte |
| hij, zij, het | vervat | vervatte |
| wij | vervatten | — |
| jullie | vervatten | — |
| zij | vervatten | — |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had vervat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had vervat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had vervat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden vervat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden vervat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden vervat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt vervat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb vervat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vervat | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben vervat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vervat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben vervat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt vervat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vervat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vervat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben vervat | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vervatten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vervatten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vervat | gebiedende wijs |
| vervat | verleden tijd, deelwoord |
| vervat te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vervat zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vervatte | verleden tijd |
| vervatte | aanvoegende wijs |
| vervattend | onvoltooid, deelwoord |
| zal vervat hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vervat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vervat hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vervatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vervatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vervatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou vervat hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vervat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vervat hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vervatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vervatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vervatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden vervat hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vervat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vervat hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vervatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vervatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vervatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt vervat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vervatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen vervat hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vervat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vervat hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vervatten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vervatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vervatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vervatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult vervat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vervatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van vervatten
Vervoeging van vervatten
vervattenhele werkwoord — vervatteverleden tijd enkelvoud — vervatvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vervat | vervatte |
| jij | vervat | vervatte |
| hij, zij, het | vervat | vervatte |
| wij | vervatten | — |
| jullie | vervatten | — |
| zij | vervatten | — |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had vervat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had vervat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had vervat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden vervat | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden vervat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden vervat | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt vervat | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb vervat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vervat | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben vervat | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vervat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben vervat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt vervat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vervat | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vervat | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben vervat | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vervatten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vervatten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vervat | gebiedende wijs |
| vervat | verleden tijd, deelwoord |
| vervat te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vervat zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vervatte | verleden tijd |
| vervatte | aanvoegende wijs |
| vervattend | onvoltooid, deelwoord |
| zal vervat hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vervat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vervat hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vervatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vervatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vervatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou vervat hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vervat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vervat hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vervatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vervatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vervatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden vervat hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vervat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vervat hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vervatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vervatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vervatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt vervat hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vervatten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen vervat hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vervat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vervat hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vervatten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vervatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vervatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vervatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult vervat hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vervatten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van vatten met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van vervatten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vervat | voltooid deelwoord | vervatten |
| vervatte | verleden tijd | vervatten |
| vervattend | onvoltooid deelwoord | vervatten |
| vervattende | woordvorm | vervatten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vervatten zijn vastgelegd.