Naar de inhoud

verstoten

niet langer in de omgeving dulden

verstoten

werkwoord

Betekenis

  1. niet langer in de omgeving dulden

Vervoeging van verstoten

verstotenhele werkwoord — verstietverleden tijd enkelvoud — verstietenverleden tijd meervoud — verstotenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik verstoot verstiet
jij verstoot verstiet
hij, zij, het verstoot verstiet
wij verstoten verstieten
jullie verstoten verstieten
zij verstoten verstieten
Alle 127 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
(archaïsch) verstiet verleden tijd
- impersonal, passief
ben verstoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent verstoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is verstoten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was verstoten impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd verstoten impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt verstoten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal verstoten worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal verstoten zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou verstoten worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou verstoten zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had verstoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had verstoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had verstoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden verstoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden verstoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden verstoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt verstoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb verstoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben verstoten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben verstoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben verstoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben verstoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt verstoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft verstoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft verstoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is verstoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is verstoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben verstoten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te verstoten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen verstoten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
verstoot gebiedende wijs
verstootte, verleden tijd
verstote aanvoegende wijs
verstoten verleden tijd, deelwoord
verstoten te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
verstoten te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
verstoten te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verstoten te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
verstoten te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verstoten worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
verstoten zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
verstoten zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verstoten zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
verstoten zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verstotend onvoltooid, deelwoord
waart verstoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren verstoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren verstoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren verstoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
was verstoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was verstoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was verstoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd verstoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd verstoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd verstoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden verstoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden verstoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden verstoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt verstoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word verstoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden verstoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden verstoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden verstoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt verstoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt verstoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal verstoten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal verstoten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal verstoten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal verstoten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verstoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal verstoten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal verstoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verstoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal verstoten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verstoten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn verstoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn verstoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn verstoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt verstoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou verstoten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou verstoten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou verstoten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou verstoten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verstoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verstoten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou verstoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verstoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou verstoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verstoten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verstoten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verstoten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verstoten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden verstoten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden verstoten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden verstoten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden verstoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden verstoten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verstoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden verstoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden verstoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verstoten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden verstoten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden verstoten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt verstoten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt verstoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verstoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verstoten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen verstoten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen verstoten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen verstoten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen verstoten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen verstoten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen verstoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen verstoten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen verstoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen verstoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen verstoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen verstoten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen verstoten zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen verstoten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult verstoten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult verstoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult verstoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult verstoten zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Woordvorm

  • voltooid deelwoord van verstoten

Vervoeging van verstoten

verstotenhele werkwoord — verstietverleden tijd enkelvoud — verstietenverleden tijd meervoud — verstotenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik verstoot verstiet
jij verstoot verstiet
hij, zij, het verstoot verstiet
wij verstoten verstieten
jullie verstoten verstieten
zij verstoten verstieten
Alle 127 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
(archaïsch) verstiet verleden tijd
- impersonal, passief
ben verstoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent verstoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is verstoten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was verstoten impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd verstoten impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt verstoten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal verstoten worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal verstoten zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou verstoten worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou verstoten zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had verstoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had verstoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had verstoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden verstoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden verstoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden verstoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt verstoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb verstoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben verstoten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben verstoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben verstoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben verstoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt verstoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft verstoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft verstoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is verstoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is verstoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben verstoten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te verstoten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen verstoten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
verstoot gebiedende wijs
verstootte, verleden tijd
verstote aanvoegende wijs
verstoten verleden tijd, deelwoord
verstoten te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
verstoten te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
verstoten te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verstoten te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
verstoten te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verstoten worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
verstoten zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
verstoten zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verstoten zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
verstoten zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verstotend onvoltooid, deelwoord
waart verstoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren verstoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren verstoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren verstoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
was verstoten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was verstoten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was verstoten voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd verstoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd verstoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd verstoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden verstoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden verstoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden verstoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt verstoten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word verstoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden verstoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden verstoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden verstoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt verstoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt verstoten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal verstoten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal verstoten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal verstoten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal verstoten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verstoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal verstoten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal verstoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verstoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal verstoten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verstoten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zijn verstoten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn verstoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn verstoten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt verstoten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou verstoten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou verstoten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou verstoten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou verstoten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verstoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verstoten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou verstoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verstoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou verstoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verstoten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verstoten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verstoten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verstoten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden verstoten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden verstoten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden verstoten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden verstoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden verstoten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verstoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden verstoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden verstoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verstoten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden verstoten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden verstoten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt verstoten aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt verstoten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verstoten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verstoten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen verstoten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen verstoten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen verstoten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen verstoten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen verstoten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen verstoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen verstoten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen verstoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen verstoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen verstoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen verstoten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen verstoten zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen verstoten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zult verstoten aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult verstoten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult verstoten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult verstoten zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Afleiding van stoten met het voorvoegsel ver-.

Woordfamilie van verstoten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
verstiet aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 1e persoon verstoten
verstieten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon verstoten
verstoot gebiedende wijs verstoten
verstootte aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 1e persoon verstoten
verstootten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon verstoten
verstote aanvoegende wijs verstoten
verstotend onvoltooid deelwoord verstoten
verstotende woordvorm verstoten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verstoten zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over verstoten

Wat betekent verstoten?
Verstoten is een werkwoord. Het woord betekent: niet langer in de omgeving dulden.
Hoe vervoeg je verstoten?
Je vervoegt verstoten als volgt: de tegenwoordige tijd is verstoot, de verleden tijd is verstiet en het voltooid deelwoord is verstoten. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord verstoten is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. S 2
  5. T 2
  6. O 1
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

verstoten levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. S 2
  5. T 2
  6. O 1
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 zonder bonus
  11. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

verstoten in het kort

verstoten staat in dit woordenboek als werkwoord. Van verstoten zijn 77 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort verstoten bij een woordfamilie van 8 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

verstoten: niet langer in de omgeving dulden
Deel verstoten — standaardnederlands.nl