verstedelijken
werkwoordBetekenis
- het karakter van een stad krijgen
Vervoeging van verstedelijken
verstedelijkenhele werkwoord — verstedelijkteverleden tijd enkelvoud — verstedelijktenverleden tijd meervoud — verstedelijktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verstedelijk | verstedelijkte |
| jij | verstedelijkt | verstedelijkte |
| hij, zij, het | verstedelijkt | verstedelijkte |
| wij | verstedelijken | verstedelijkten |
| jullie | verstedelijken | verstedelijkten |
| zij | verstedelijken | verstedelijkten |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben verstedelijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verstedelijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is verstedelijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verstedelijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te verstedelijken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn verstedelijkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verstedelijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verstedelijk | gebiedende wijs |
| verstedelijke | aanvoegende wijs |
| verstedelijkend | onvoltooid, deelwoord |
| verstedelijkt | verleden tijd, deelwoord |
| verstedelijkt te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verstedelijkt zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verstedelijkte | verleden tijd |
| waart verstedelijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verstedelijkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verstedelijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verstedelijkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verstedelijkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verstedelijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verstedelijkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal verstedelijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verstedelijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verstedelijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verstedelijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verstedelijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verstedelijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn verstedelijkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn verstedelijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verstedelijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verstedelijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verstedelijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verstedelijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verstedelijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verstedelijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verstedelijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verstedelijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verstedelijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verstedelijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verstedelijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verstedelijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verstedelijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verstedelijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verstedelijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verstedelijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verstedelijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen verstedelijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verstedelijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verstedelijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verstedelijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen verstedelijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verstedelijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verstedelijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult verstedelijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult verstedelijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van stedelijk met het voorvoegsel ver- met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van verstedelijken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verstedelijk | gebiedende wijs | verstedelijken |
| verstedelijke | aanvoegende wijs | verstedelijken |
| verstedelijkend | onvoltooid deelwoord | verstedelijken |
| verstedelijkende | woordvorm | verstedelijken |
| verstedelijkt | voltooid deelwoord | verstedelijken |
| verstedelijkte | verleden tijd | verstedelijken |
| verstedelijkten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verstedelijken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verstedelijken zijn vastgelegd.