verstarren
werkwoordBetekenis
- star of vast worden
- overdrachtelijk verharden gewoonlijk van gelaatstrekken of blik
- tweede betekenisomschrijving.
- enz.
Vervoeging van verstarren
verstarrenhele werkwoord — verstardeverleden tijd enkelvoud — verstardenverleden tijd meervoud — verstardvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verstar | verstarde |
| jij | verstart | verstarde |
| hij, zij, het | verstart | verstarde |
| wij | verstarren | verstarden |
| jullie | verstarren | verstarden |
| zij | verstarren | verstarden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had verstard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verstard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verstard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verstard | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verstard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verstard | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verstard | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verstard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verstard | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verstard | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verstard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verstard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verstard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verstard | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verstard | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verstard | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verstarren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verstarren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verstar | gebiedende wijs |
| verstard | verleden tijd, deelwoord |
| verstard te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verstard zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verstarde | verleden tijd |
| verstarre | aanvoegende wijs |
| verstarrend | onvoltooid, deelwoord |
| zal verstard hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verstard hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verstard hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verstarren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verstarren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verstarren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou verstard hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verstard hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verstard hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verstarren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verstarren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verstarren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verstard hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verstard hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verstard hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verstarren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verstarren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verstarren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verstard hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verstarren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verstard hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verstard hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verstard hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verstarren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verstarren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verstarren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verstarren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verstard hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verstarren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van star met het voorvoegsel ver- met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van verstarren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verstar | gebiedende wijs | verstarren |
| verstard | voltooid deelwoord | verstarren |
| verstarde | verleden tijd | verstarren |
| verstarden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verstarren |
| verstarre | aanvoegende wijs | verstarren |
| verstarrend | onvoltooid deelwoord | verstarren |
| verstarrende | woordvorm | verstarren |
| verstart | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verstarren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verstarren zijn vastgelegd.