versoepelen
werkwoordBetekenis
- het soepeler worden of maken, het losser toepassen, minder star
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van versoepelen
versoepelenhele werkwoord — versoepeldeverleden tijd enkelvoud — versoepeldenverleden tijd meervoud — versoepeldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | versoepel | versoepelde |
| jij | versoepelt | versoepelde |
| hij, zij, het | versoepelt | versoepelde |
| wij | versoepelen | versoepelden |
| jullie | versoepelen | versoepelden |
| zij | versoepelen | versoepelden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben versoepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent versoepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is versoepeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was versoepeld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd versoepeld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt versoepeld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal versoepeld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal versoepeld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou versoepeld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou versoepeld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had versoepeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had versoepeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had versoepeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden versoepeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden versoepeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden versoepeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt versoepeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb versoepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben versoepeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben versoepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben versoepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben versoepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt versoepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft versoepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft versoepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is versoepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is versoepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben versoepeld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te versoepelen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen versoepelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| versoepel | gebiedende wijs |
| versoepeld | verleden tijd, deelwoord |
| versoepeld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| versoepeld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| versoepeld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| versoepeld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| versoepeld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| versoepeld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| versoepeld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| versoepeld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| versoepeld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| versoepeld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| versoepelde | verleden tijd |
| versoepele | aanvoegende wijs |
| versoepelend | onvoltooid, deelwoord |
| waart versoepeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren versoepeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren versoepeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren versoepeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was versoepeld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was versoepeld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was versoepeld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd versoepeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd versoepeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd versoepeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden versoepeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden versoepeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden versoepeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt versoepeld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word versoepeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden versoepeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden versoepeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden versoepeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt versoepeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt versoepeld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal versoepeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal versoepeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal versoepeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal versoepeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal versoepeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal versoepeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal versoepeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal versoepelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal versoepelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal versoepelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn versoepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn versoepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn versoepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt versoepeld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou versoepeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou versoepeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou versoepeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou versoepeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou versoepeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou versoepeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou versoepeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou versoepeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou versoepeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou versoepelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou versoepelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou versoepelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden versoepeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden versoepeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden versoepeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden versoepeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden versoepeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden versoepeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden versoepeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden versoepeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden versoepeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden versoepelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden versoepelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden versoepelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt versoepeld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt versoepeld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt versoepeld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt versoepelen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen versoepeld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen versoepeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen versoepeld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen versoepeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen versoepeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen versoepeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen versoepeld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen versoepeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen versoepeld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen versoepelen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen versoepelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen versoepelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen versoepelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult versoepeld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult versoepeld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult versoepeld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult versoepelen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van soepel met het voorvoegsel ver- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van versoepelen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| versoepel | gebiedende wijs | versoepelen |
| versoepeld | voltooid deelwoord | versoepelen |
| versoepelde | verleden tijd | versoepelen |
| versoepelden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | versoepelen |
| versoepele | aanvoegende wijs | versoepelen |
| versoepelend | onvoltooid deelwoord | versoepelen |
| versoepelende | woordvorm | versoepelen |
| versoepelt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | versoepelen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van versoepelen zijn vastgelegd.