flexibiliseren
werkwoordBetekenis
- het flexibel maken of worden
Vervoeging van flexibiliseren
flexibiliserenhele werkwoord — flexibiliseerdeverleden tijd enkelvoud — flexibiliseerdenverleden tijd meervoud — geflexibiliseerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | flexibiliseer | flexibiliseerde |
| jij | flexibiliseert | flexibiliseerde |
| hij, zij, het | flexibiliseert | flexibiliseerde |
| wij | flexibiliseren | flexibiliseerden |
| jullie | flexibiliseren | flexibiliseerden |
| zij | flexibiliseren | flexibiliseerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben geflexibiliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent geflexibiliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is geflexibiliseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was geflexibiliseerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd geflexibiliseerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt geflexibiliseerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal geflexibiliseerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal geflexibiliseerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou geflexibiliseerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou geflexibiliseerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| flexibiliseer | gebiedende wijs |
| flexibiliseerde | verleden tijd |
| flexibilisere | aanvoegende wijs |
| flexibiliserend | onvoltooid, deelwoord |
| geflexibiliseerd | verleden tijd, deelwoord |
| geflexibiliseerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geflexibiliseerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| geflexibiliseerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geflexibiliseerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geflexibiliseerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| geflexibiliseerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geflexibiliseerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| geflexibiliseerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geflexibiliseerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| geflexibiliseerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had geflexibiliseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had geflexibiliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had geflexibiliseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden geflexibiliseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden geflexibiliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden geflexibiliseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt geflexibiliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb geflexibiliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geflexibiliseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben geflexibiliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben geflexibiliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben geflexibiliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt geflexibiliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geflexibiliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft geflexibiliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is geflexibiliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is geflexibiliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te flexibiliseren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben geflexibiliseerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen flexibiliseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| waart geflexibiliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geflexibiliseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren geflexibiliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren geflexibiliseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was geflexibiliseerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was geflexibiliseerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was geflexibiliseerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd geflexibiliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd geflexibiliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd geflexibiliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden geflexibiliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden geflexibiliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden geflexibiliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt geflexibiliseerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word geflexibiliseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden geflexibiliseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden geflexibiliseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden geflexibiliseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt geflexibiliseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt geflexibiliseerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal flexibiliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal flexibiliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal flexibiliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal geflexibiliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geflexibiliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal geflexibiliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal geflexibiliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geflexibiliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal geflexibiliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal geflexibiliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn geflexibiliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn geflexibiliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn geflexibiliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt geflexibiliseerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou flexibiliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou flexibiliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou flexibiliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou geflexibiliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geflexibiliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geflexibiliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou geflexibiliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geflexibiliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou geflexibiliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geflexibiliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou geflexibiliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou geflexibiliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden flexibiliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden flexibiliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden flexibiliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden geflexibiliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geflexibiliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geflexibiliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geflexibiliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden geflexibiliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden geflexibiliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden geflexibiliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden geflexibiliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden geflexibiliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt flexibiliseren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt geflexibiliseerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geflexibiliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt geflexibiliseerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen flexibiliseren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen flexibiliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen flexibiliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen flexibiliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen geflexibiliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geflexibiliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geflexibiliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geflexibiliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen geflexibiliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen geflexibiliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen geflexibiliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen geflexibiliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen geflexibiliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult flexibiliseren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult geflexibiliseerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geflexibiliseerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult geflexibiliseerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van het Franse flexibiliser (met het achtervoegsel -iseren)
Woordfamilie van flexibiliseren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| flexibiliseer | gebiedende wijs | flexibiliseren |
| flexibiliseerde | verleden tijd | flexibiliseren |
| flexibiliseerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | flexibiliseren |
| flexibiliseert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | flexibiliseren |
| flexibilisere | aanvoegende wijs | flexibiliseren |
| flexibiliserend | onvoltooid deelwoord | flexibiliseren |
| flexibiliserende | woordvorm | flexibiliseren |
| geflexibiliseerd | voltooid deelwoord | flexibiliseren |
| geflexibiliseerde | woordvorm | flexibiliseren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van flexibiliseren zijn vastgelegd.