verslensen
werkwoordBetekenis
- het slap worden en wegteren, meestal van afgesneden plantenmateriaal door uitdroging
Vervoeging van verslensen
verslensenhele werkwoord — verslensteverleden tijd enkelvoud — verslenstenverleden tijd meervoud — verslenstvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verslens | verslenste |
| jij | verslenst | verslenste |
| hij, zij, het | verslenst | verslenste |
| wij | verslensen | verslensten |
| jullie | verslensen | verslensten |
| zij | verslensen | verslensten |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben verslenst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verslenst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is verslenst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verslenst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te verslensen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn verslenst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verslensen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verslens | gebiedende wijs |
| verslense | aanvoegende wijs |
| verslensend | onvoltooid, deelwoord |
| verslenst | verleden tijd, deelwoord |
| verslenst te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verslenst zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verslenste | verleden tijd |
| waart verslenst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verslenst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verslenst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verslenst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verslenst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verslenst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verslenst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal verslensen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verslensen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verslensen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verslenst zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verslenst zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verslenst zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn verslenst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn verslenst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verslenst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verslenst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verslenst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verslensen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verslensen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verslensen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verslenst zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verslenst zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verslenst zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verslensen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verslensen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verslensen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verslenst zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verslenst zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verslenst zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verslensen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verslenst zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen verslensen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verslensen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verslensen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verslensen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen verslenst zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verslenst zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verslenst zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult verslensen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult verslenst zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van slensen met het voorvoegsel ver-.
Woordfamilie van verslensen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verslens | gebiedende wijs | verslensen |
| verslense | aanvoegende wijs | verslensen |
| verslensend | onvoltooid deelwoord | verslensen |
| verslensende | woordvorm | verslensen |
| verslenst | voltooid deelwoord | verslensen |
| verslenste | verleden tijd | verslensen |
| verslensten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verslensen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verslensen zijn vastgelegd.