verscheiden
werkwoord, zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- dood, overlijden
- van variërende aard, verschillend
werkwoord
- overlijden, doodgaan ergative, euphemistic
Vervoeging van verscheiden
verscheidenhele werkwoord — verscheiddeverleden tijd enkelvoud — verscheiddenverleden tijd meervoud — verscheidenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verscheid | verscheidde |
| jij | verscheidt | verscheidde |
| hij, zij, het | verscheidt | verscheidde |
| wij | verscheiden | verscheidden |
| jullie | verscheiden | verscheidden |
| zij | verscheiden | verscheidden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had verscheiden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verscheiden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verscheiden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verscheiden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verscheiden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verscheiden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verscheiden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verscheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verscheiden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verscheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verscheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verscheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verscheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verscheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verscheiden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verscheiden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verscheiden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verscheiden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verscheid | gebiedende wijs |
| verscheidde | verleden tijd |
| verscheide | aanvoegende wijs |
| verscheiden | verleden tijd, deelwoord |
| verscheiden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verscheiden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verscheidend | onvoltooid, deelwoord |
| zal verscheiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verscheiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verscheiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verscheiden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verscheiden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verscheiden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zou verscheiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verscheiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verscheiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verscheiden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verscheiden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verscheiden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verscheiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verscheiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verscheiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verscheiden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verscheiden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verscheiden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verscheiden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verscheiden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen verscheiden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verscheiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verscheiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verscheiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen verscheiden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verscheiden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verscheiden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult verscheiden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult verscheiden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- voltooid deelwoord van verscheiden
Vervoeging van verscheiden
verscheidenhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘sterven’ voor het eerst aangetroffen in 1236
Woordfamilie van verscheiden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verscheid | gebiedende wijs | verscheiden |
| verscheidde | verleden tijd | verscheiden |
| verscheidden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verscheiden |
| verscheide | aanvoegende wijs | verscheiden |
| verscheidend | onvoltooid deelwoord | verscheiden |
| verscheidende | woordvorm | verscheiden |
| verscheidener | woordvorm | verscheiden |
| verscheideners | woordvorm | verscheiden |
| verscheidens | woordvorm | verscheiden |
| verscheidenst | woordvorm | verscheiden |
| verscheidenste | woordvorm | verscheiden |
| verscheidt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verscheiden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verscheiden zijn vastgelegd.