verrijken
werkwoordBetekenis
- rijker maken
- zich ~ vaak op oneigenlijke of verwerpelijke wijze zorgen dat men rijk wordt
Vervoeging van verrijken
verrijkenhele werkwoord — verrijkteverleden tijd enkelvoud — verrijktenverleden tijd meervoud — verrijktvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verrijk | verrijkte |
| jij | verrijkt | verrijkte |
| hij, zij, het | verrijkt | verrijkte |
| wij | verrijken | verrijkten |
| jullie | verrijken | verrijkten |
| zij | verrijken | verrijkten |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verrijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verrijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verrijkt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verrijkt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verrijkt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verrijkt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verrijkt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verrijkt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verrijkt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verrijkt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verrijkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verrijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verrijkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verrijkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verrijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verrijkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verrijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verrijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verrijkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verrijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verrijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verrijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verrijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verrijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verrijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verrijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verrijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verrijkt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verrijken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verrijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verrijk | gebiedende wijs |
| verrijk me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verrijk u/je , verrijkt je | gebiedende wijs |
| verrijke | aanvoegende wijs |
| verrijke zich | aanvoegende wijs |
| verrijken je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verrijken ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verrijken zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verrijkend | onvoltooid, deelwoord |
| verrijkt | verleden tijd, deelwoord |
| verrijkt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verrijkt te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verrijkt te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verrijkt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verrijkt te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verrijkt te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verrijkt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verrijkt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verrijkt worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verrijkt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verrijkt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verrijkt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verrijkt zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verrijkt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verrijkt zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verrijkt zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verrijkte | verleden tijd |
| verrijkte je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verrijkte me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verrijkte u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verrijkte u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verrijkte zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verrijkte zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verrijkte zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verrijkten je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verrijkten ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| verrijkten zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| waart verrijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verrijkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verrijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verrijkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verrijkt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verrijkt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verrijkt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verrijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verrijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verrijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verrijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verrijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verrijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verrijkt | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verrijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verrijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verrijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verrijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verrijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verrijkt | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me verrijken | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal verrijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verrijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verrijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verrijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verrijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verrijkt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verrijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verrijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verrijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verrijkt zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zich verrijken | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je verrijken | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich verrijkend | onvoltooid, deelwoord |
| zich verrijkt hebben | verleden tijd |
| zijn verrijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verrijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verrijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verrijkt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verrijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verrijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verrijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verrijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verrijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verrijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verrijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verrijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verrijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verrijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verrijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verrijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verrijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verrijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verrijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verrijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verrijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verrijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verrijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verrijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verrijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verrijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verrijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verrijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verrijken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verrijkt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verrijkt worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verrijkt zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen je verrijken | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons verrijken | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen verrijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verrijken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Herkomst
Afgeleid van rijk met het voorvoegsel ver- met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van verrijken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verrijk | gebiedende wijs | verrijken |
| verrijke | aanvoegende wijs | verrijken |
| verrijkend | onvoltooid deelwoord | verrijken |
| verrijkende | woordvorm | verrijken |
| verrijkt | voltooid deelwoord | verrijken |
| verrijkte | verleden tijd | verrijken |
| verrijkten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verrijken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verrijken zijn vastgelegd.