vernederlandsen
werkwoordBetekenis
- Nederlands worden, tot de Nederlandse taal omvormen
Vervoeging van vernederlandsen
vernederlandsenhele werkwoord — vernederlandsteverleden tijd enkelvoud — vernederlandstenverleden tijd meervoud — vernederlandstvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vernederlands | vernederlandste |
| jij | vernederlandst | vernederlandste |
| hij, zij, het | vernederlandst | vernederlandste |
| wij | vernederlandsen | vernederlandsten |
| jullie | vernederlandsen | vernederlandsten |
| zij | vernederlandsen | vernederlandsten |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben vernederlandst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent vernederlandst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is vernederlandst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is vernederlandst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te vernederlandsen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn vernederlandst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vernederlandsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vernederlands | gebiedende wijs |
| vernederlandse | aanvoegende wijs |
| vernederlandsend | onvoltooid, deelwoord |
| vernederlandst | verleden tijd, deelwoord |
| vernederlandst te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vernederlandst zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vernederlandste | verleden tijd |
| waart vernederlandst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vernederlandst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren vernederlandst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vernederlandst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was vernederlandst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was vernederlandst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was vernederlandst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal vernederlandsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vernederlandsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vernederlandsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal vernederlandst zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vernederlandst zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vernederlandst zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn vernederlandst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn vernederlandst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn vernederlandst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn vernederlandst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt vernederlandst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou vernederlandsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vernederlandsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vernederlandsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou vernederlandst zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vernederlandst zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vernederlandst zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vernederlandsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vernederlandsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vernederlandsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden vernederlandst zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vernederlandst zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vernederlandst zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt vernederlandsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt vernederlandst zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen vernederlandsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vernederlandsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vernederlandsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vernederlandsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen vernederlandst zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vernederlandst zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vernederlandst zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult vernederlandsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult vernederlandst zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van Nederlands met het voorvoegsel ver- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van vernederlandsen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vernederlands | gebiedende wijs | vernederlandsen |
| vernederlandse | aanvoegende wijs | vernederlandsen |
| vernederlandsend | onvoltooid deelwoord | vernederlandsen |
| vernederlandsende | woordvorm | vernederlandsen |
| vernederlandst | voltooid deelwoord | vernederlandsen |
| vernederlandste | verleden tijd | vernederlandsen |
| vernederlandsten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vernederlandsen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vernederlandsen zijn vastgelegd.