verlenen
werkwoord /vərlenə(n)/Betekenis
- iemand iets ~: iemand begunstigen met iets, iemand iets toestaan
Hoe spreek je verlenen uit?
/vərlenən/
Verlenen bestaat uit drie lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| l | land |
| e | veel |
| n | nek |
Vervoeging van verlenen
verlenenhele werkwoord — verleendeverleden tijd enkelvoud — verleendenverleden tijd meervoud — verleendvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verleen | verleende |
| jij | verleent | verleende |
| hij, zij, het | verleent | verleende |
| wij | verlenen | verleenden |
| jullie | verlenen | verleenden |
| zij | verlenen | verleenden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verleend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verleend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verleend | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verleend | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verleend | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verleend | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verleend worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verleend zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verleend worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verleend zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verleend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verleend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verleend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verleend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verleend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verleend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verleend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verleend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verleend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verleend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verleend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verleend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verleend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verleend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verleend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verleend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verleend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verleend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verlenen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verlenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verleen | gebiedende wijs |
| verleend | verleden tijd, deelwoord |
| verleend te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verleend te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verleend te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verleend te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verleend te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verleend worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verleend zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verleend zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verleend zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verleend zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verleende | verleden tijd |
| verlene | aanvoegende wijs |
| verlenend | onvoltooid, deelwoord |
| waart verleend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verleend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verleend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verleend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verleend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verleend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verleend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verleend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verleend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verleend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verleend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verleend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verleend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verleend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verleend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verleend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verleend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verleend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verleend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verleend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verleend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verleend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verleend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verleend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verleend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verleend zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verleend zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verlenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verlenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verlenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn verleend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verleend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verleend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verleend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verleend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verleend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verleend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verleend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verleend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verleend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verleend zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verleend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verleend zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verlenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verlenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verlenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verleend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verleend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verleend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verleend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verleend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verleend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verleend zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verleend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verleend zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verlenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verlenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verlenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verleend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verleend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verleend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verlenen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verleend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verleend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verleend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verleend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verleend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verleend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verleend zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verleend zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verleend zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verlenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verlenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verlenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verlenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verleend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verleend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verleend zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verlenen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van lenen met het voorvoegsel ver-.
Woordfamilie van verlenen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verleen | gebiedende wijs | verlenen |
| verleend | voltooid deelwoord | verlenen |
| verleende | verleden tijd | verlenen |
| verleenden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verlenen |
| verleent | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verlenen |
| verlene | aanvoegende wijs | verlenen |
| verlenend | onvoltooid deelwoord | verlenen |
| verlenende | woordvorm | verlenen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verlenen zijn vastgelegd.