verkondigen
werkwoord vərˈkɔndəɣə(n)Betekenis
- bekend maken en sterk aanbevelen gewoonlijk aan een groep of menigte
Hoe spreek je verkondigen uit?
/vərˈkɔndəxən/
Verkondigen bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| k | kat |
| ɔ | bot |
| n | nek |
| d | dak |
| x | acht |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van verkondigen
verkondigenhele werkwoord — verkondigdeverleden tijd enkelvoud — verkondigdenverleden tijd meervoud — verkondigdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verkondig | verkondigde |
| jij | verkondigt | verkondigde |
| hij, zij, het | verkondigt | verkondigde |
| wij | verkondigen | verkondigden |
| jullie | verkondigen | verkondigden |
| zij | verkondigen | verkondigden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verkondigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verkondigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verkondigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verkondigd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verkondigd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verkondigd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verkondigd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verkondigd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verkondigd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verkondigd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verkondigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verkondigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verkondigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verkondigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verkondigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verkondigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verkondigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verkondigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verkondigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verkondigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verkondigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verkondigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verkondigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verkondigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verkondigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verkondigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verkondigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verkondigd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verkondigen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verkondigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verkondig | gebiedende wijs |
| verkondigd | verleden tijd, deelwoord |
| verkondigd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verkondigd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verkondigd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verkondigd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verkondigd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verkondigd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verkondigd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verkondigd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verkondigd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verkondigd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verkondigde | verleden tijd |
| verkondige | aanvoegende wijs |
| verkondigend | onvoltooid, deelwoord |
| waart verkondigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verkondigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verkondigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verkondigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verkondigd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verkondigd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verkondigd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verkondigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verkondigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verkondigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verkondigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verkondigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verkondigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verkondigd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verkondigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verkondigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verkondigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verkondigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verkondigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verkondigd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verkondigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verkondigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verkondigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verkondigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verkondigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verkondigd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verkondigd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verkondigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verkondigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verkondigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn verkondigd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verkondigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verkondigd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verkondigd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verkondigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verkondigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verkondigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verkondigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verkondigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verkondigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verkondigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verkondigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verkondigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verkondigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verkondigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verkondigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verkondigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verkondigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verkondigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verkondigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verkondigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verkondigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verkondigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verkondigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verkondigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verkondigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verkondigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verkondigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verkondigd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verkondigd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verkondigd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verkondigen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verkondigd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verkondigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verkondigd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verkondigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verkondigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verkondigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verkondigd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verkondigd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verkondigd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verkondigen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verkondigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verkondigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verkondigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verkondigd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verkondigd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verkondigd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verkondigen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘bekendmaken’ voor het eerst aangetroffen in 1265
Woordfamilie van verkondigen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verkondig | gebiedende wijs | verkondigen |
| verkondigd | voltooid deelwoord | verkondigen |
| verkondigde | verleden tijd | verkondigen |
| verkondigden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verkondigen |
| verkondige | aanvoegende wijs | verkondigen |
| verkondigend | onvoltooid deelwoord | verkondigen |
| verkondigende | woordvorm | verkondigen |
| verkondigt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verkondigen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verkondigen zijn vastgelegd.