verklinken
werkwoordBetekenis
- (van een klank) wegsterven
werkwoord
- wegsterven intransitive
Vervoeging van verklinken
verklinkenhele werkwoord — verklonkverleden tijd enkelvoud — verklonkenverleden tijd meervoud — verklonkenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verklink | verklonk |
| jij | verklinkt | verklonk |
| hij, zij, het | verklinkt | verklonk |
| wij | verklinken | verklonken |
| jullie | verklinken | verklonken |
| zij | verklinken | verklonken |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben verklonken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verklonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is verklonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verklonken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te verklinken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn verklonken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verklinken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verklink | gebiedende wijs |
| verklinke | aanvoegende wijs |
| verklinkend | onvoltooid, deelwoord |
| verklonk | verleden tijd |
| verklonken | verleden tijd, deelwoord |
| verklonken te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verklonken zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| waart verklonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verklonken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verklonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verklonken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verklonken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verklonken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verklonken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal verklinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verklinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verklinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verklonken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verklonken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verklonken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn verklonken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn verklonken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verklonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verklonken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verklonken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verklinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verklinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verklinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verklonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verklonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verklonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verklinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verklinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verklinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verklonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verklonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verklonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verklinken | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verklonken zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen verklinken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verklinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verklinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verklinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen verklonken zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verklonken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verklonken zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult verklinken | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult verklonken zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van klinken met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verklinken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verklink | gebiedende wijs | verklinken |
| verklinke | aanvoegende wijs | verklinken |
| verklinkend | onvoltooid deelwoord | verklinken |
| verklinkende | woordvorm | verklinken |
| verklinkt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verklinken |
| verklonk | verleden tijd | verklinken |
| verklonken | voltooid deelwoord | verklinken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verklinken zijn vastgelegd.