verkleven
werkwoordBetekenis
- aan elkaar gaan plakken, o.a. van delen van organen
Vervoeging van verkleven
verklevenhele werkwoord — verkleefdeverleden tijd enkelvoud — verkleefdenverleden tijd meervoud — verkleefdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verkleef | verkleefde |
| jij | verkleeft | verkleefde |
| hij, zij, het | verkleeft | verkleefde |
| wij | verkleven | verkleefden |
| jullie | verkleven | verkleefden |
| zij | verkleven | verkleefden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben verkleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verkleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is verkleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verkleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te verkleven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zijn verkleefd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verkleven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verkleef | gebiedende wijs |
| verkleefd | verleden tijd, deelwoord |
| verkleefd te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verkleefd zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verkleefde | verleden tijd |
| verkleve | aanvoegende wijs |
| verklevend | onvoltooid, deelwoord |
| waart verkleefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verkleefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verkleefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verkleefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verkleefd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verkleefd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verkleefd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal verkleefd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verkleefd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verkleefd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verkleven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verkleven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verkleven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn verkleefd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn verkleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verkleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verkleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verkleefd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verkleefd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verkleefd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verkleefd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verkleven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verkleven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verkleven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verkleefd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verkleefd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verkleefd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verkleven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verkleven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verkleven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verkleefd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verkleven | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verkleefd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verkleefd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verkleefd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verkleven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verkleven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verkleven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verkleven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verkleefd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verkleven | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van kleven met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verkleven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verkleef | gebiedende wijs | verkleven |
| verkleefd | voltooid deelwoord | verkleven |
| verkleefden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verkleven |
| verkleeft | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verkleven |
| verkleve | aanvoegende wijs | verkleven |
| verklevend | onvoltooid deelwoord | verkleven |
| verklevende | woordvorm | verkleven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verkleven zijn vastgelegd.