Naar de inhoud

verkleden

zich ~ andere kleren aandoen

verkleden

werkwoord

Betekenis

  1. zich ~ andere kleren aandoen
  2. zich vermommen door andere kleren aan te trekken

Vervoeging van verkleden

verkledenhele werkwoord — verkleeddeverleden tijd enkelvoud — verkleeddenverleden tijd meervoud — verkleedvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik verkleed verkleedde
jij verkleedt verkleedde
hij, zij, het verkleedt verkleedde
wij verkleden verkleedden
jullie verkleden verkleedden
zij verkleden verkleedden
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben verkleed voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent verkleed voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is verkleed impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was verkleed impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd verkleed impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt verkleed impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal verkleed worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal verkleed zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou verkleed worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou verkleed zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had verkleed voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had verkleed voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had verkleed voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden verkleed voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden verkleed voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden verkleed voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt verkleed voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb verkleed voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben verkleed actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben verkleed voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben verkleed voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben verkleed voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt verkleed voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft verkleed voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft verkleed voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is verkleed voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is verkleed voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben verkleed actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te verkleden actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen verkleden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
verklede aanvoegende wijs
verklede zich aanvoegende wijs
verkleden je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
verkleden ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
verkleden zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
verkledend onvoltooid, deelwoord
verkleed gebiedende wijs
verkleed verleden tijd, deelwoord
verkleed me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
verkleed te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
verkleed te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
verkleed te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verkleed te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
verkleed te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
verkleed u/je , verkleedt je gebiedende wijs
verkleed worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
verkleed zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
verkleed zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verkleed zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
verkleed zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
verkleedde verleden tijd
verkleedde je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
verkleedde me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
verkleedde u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
verkleedde u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
verkleedde zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
verkleedde zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
verkleedde zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
verkleedden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
verkleedden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
verkleedden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
verkleedt je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
verkleedt u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
verkleedt u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
verkleedt zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
verkleedt zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
verkleedt zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
waart verkleed voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren verkleed voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren verkleed voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren verkleed voltooid, verleden tijd, derde persoon
was verkleed voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was verkleed voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was verkleed voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd verkleed enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd verkleed enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd verkleed enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden verkleed enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden verkleed enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden verkleed enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt verkleed enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word verkleed enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden verkleed enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden verkleed enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden verkleed enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt verkleed enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt verkleed enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal me verkleden eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal verkleden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal verkleden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal verkleden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal verkleed hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verkleed hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal verkleed hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal verkleed worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verkleed worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal verkleed zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal verkleed zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal zich verkleden derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je verkleden tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich verkledend onvoltooid, deelwoord
zich verkleed hebben verleden tijd
zijn verkleed voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn verkleed voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn verkleed voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt verkleed voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou verkleden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou verkleden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou verkleden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou verkleed hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verkleed hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verkleed hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou verkleed worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verkleed worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou verkleed worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verkleed zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou verkleed zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou verkleed zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verkleden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden verkleden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden verkleden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden verkleed hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden verkleed hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden verkleed hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verkleed worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden verkleed worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden verkleed worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden verkleed zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden verkleed zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden verkleed zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zoudt verkleden aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt verkleed hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verkleed worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt verkleed zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zullen je verkleden tweede persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen ons verkleden eerste persoon, toekomende tijd, meervoud
zullen verkleden actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen verkleden aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon

Herkomst

afgeleid van kleden met het voorvoegsel ver-

Woordfamilie van verkleden

Woordvorm Relatie Afgeleid van
verkledend onvoltooid deelwoord verkleden
verkledende woordvorm verkleden
verkleed voltooid deelwoord verkleden
verkleedde verleden tijd verkleden
verkleedden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon verkleden
verkleedt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon verkleden

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verkleden zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Veelgestelde vragen over verkleden

Wat is de betekenis van verkleden?
Verkleden is een werkwoord. De betekenis is: zich ~ andere kleren aandoen. In totaal staan er 2 betekenissen.
Hoe vervoeg ik verkleden?
Zo vervoeg je verkleden zo: de tegenwoordige tijd is verkleed, de verleden tijd is verkleedde en het voltooid deelwoord is verkleed. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord verkleden is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. K 3
  5. L 3
  6. E 1
  7. D 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

verkleden levert met Wordfeud minimaal 18 en maximaal 78 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. E 1
  3. R 2
  4. K 3
  5. L 3
  6. E 1
  7. D 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 zonder bonus
  11. 78 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

verkleden in het kort

verkleden staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 2 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van verkleden staan er 102 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort verkleden bij een woordfamilie van 6 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

verkleden: zich ~ andere kleren aandoen
Deel verkleden — standaardnederlands.nl