verhouden
werkwoord /vər'ɦaʊdə(n)/Betekenis
- zich ~: een betrekking hebben tot iets of iemand
- zich ~ getalsmatig een bepaalde verhouding hebben
Hoe spreek je verhouden uit?
/vərˈhaʊdən/
Verhouden bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| h | hoed |
| a | maan |
| ʊ | boek |
| d | dak |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van verhouden
verhoudenhele werkwoord — verhieldverleden tijd enkelvoud — verhieldenverleden tijd meervoud — verhoudenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verhou | verhield |
| jij | verhoudt | verhield |
| hij, zij, het | verhoudt | verhield |
| wij | verhouden | verhielden |
| jullie | verhouden | verhielden |
| zij | verhouden | verhielden |
Alle 91 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had verhouden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verhouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verhouden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verhouden | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verhouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verhouden | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verhouden | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verhouden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verhouden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verhouden | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verhouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verhouden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verhouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verhouden | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verhouden | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verhouden | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verhouden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verhouden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verhield | verleden tijd |
| verhield je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verhield me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verhield u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verhield u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verhield zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verhield zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verhield zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verhielden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verhielden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| verhielden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| verhou verhoud u/je , verhoudt je | gebiedende wijs |
| verhou | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verhou | gebiedende wijs |
| verhoud | gebiedende wijs |
| verhoud me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verhoude | aanvoegende wijs |
| verhoude zich | aanvoegende wijs |
| verhouden | verleden tijd, deelwoord |
| verhouden je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verhouden ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verhouden te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verhouden zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verhouden zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verhoudend | onvoltooid, deelwoord |
| verhoudt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verhoudt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verhoudt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verhoudt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verhoudt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verhoudt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| zal me verhouden | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal verhouden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verhouden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verhouden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verhouden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verhouden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verhouden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zich verhouden | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je verhouden | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich verhouden hebben | verleden tijd |
| zich verhoudend | onvoltooid, deelwoord |
| zou verhouden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verhouden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verhouden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verhouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verhouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verhouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verhouden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verhouden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verhouden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verhouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verhouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verhouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verhouden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verhouden hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen je verhouden | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons verhouden | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen verhouden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verhouden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verhouden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verhouden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen verhouden hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verhouden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verhouden hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen zich verhouden | derde persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult u verhouden | tweede persoon |
| zult u verhouden | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zult verhouden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult verhouden hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult zich/u verhouden | tweede persoon |
| zult zich/u verhouden | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
Herkomst
Afgeleid van houden met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verhouden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verhield | verleden tijd | verhouden |
| verhielden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verhouden |
| verhou | 1e persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud | verhouden |
| verhoud | gebiedende wijs | verhouden |
| verhoude | aanvoegende wijs | verhouden |
| verhoudend | onvoltooid deelwoord | verhouden |
| verhoudende | woordvorm | verhouden |
| verhoudt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verhouden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verhouden zijn vastgelegd.