verhollandsen
werkwoordBetekenis
- Hollands worden
- Hollands maken
Vervoeging van verhollandsen
verhollandsenhele werkwoord — verhollandsteverleden tijd enkelvoud — verhollandstenverleden tijd meervoud — verhollandstvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verhollands | verhollandste |
| jij | verhollandst | verhollandste |
| hij, zij, het | verhollandst | verhollandste |
| wij | verhollandsen | verhollandsten |
| jullie | verhollandsen | verhollandsten |
| zij | verhollandsen | verhollandsten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verhollandst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verhollandst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verhollandst | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verhollandst | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verhollandst | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verhollandst | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verhollandst worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verhollandst zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verhollandst worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verhollandst zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verhollandst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verhollandst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verhollandst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verhollandst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verhollandst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verhollandst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verhollandst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verhollandst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verhollandst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verhollandst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verhollandst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verhollandst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verhollandst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verhollandst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verhollandst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verhollandst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verhollandst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verhollandst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verhollandsen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verhollandsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verhollands | gebiedende wijs |
| verhollandse | aanvoegende wijs |
| verhollandsend | onvoltooid, deelwoord |
| verhollandst | verleden tijd, deelwoord |
| verhollandst te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verhollandst te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verhollandst te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verhollandst te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verhollandst te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verhollandst worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verhollandst zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verhollandst zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verhollandst zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verhollandst zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verhollandste | verleden tijd |
| waart verhollandst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verhollandst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verhollandst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verhollandst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verhollandst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verhollandst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verhollandst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verhollandst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verhollandst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verhollandst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verhollandst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verhollandst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verhollandst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verhollandst | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verhollandst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verhollandst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verhollandst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verhollandst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verhollandst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verhollandst | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verhollandsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verhollandsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verhollandsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verhollandst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verhollandst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verhollandst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verhollandst worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verhollandst worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verhollandst zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verhollandst zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zijn verhollandst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verhollandst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verhollandst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verhollandst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verhollandsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verhollandsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verhollandsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verhollandst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verhollandst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verhollandst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verhollandst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verhollandst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verhollandst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verhollandst zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verhollandst zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verhollandst zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verhollandsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verhollandsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verhollandsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verhollandst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verhollandst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verhollandst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verhollandst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verhollandst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verhollandst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verhollandst zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verhollandst zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verhollandst zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verhollandsen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verhollandst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verhollandst worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verhollandst zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen verhollandsen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verhollandsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verhollandsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verhollandsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen verhollandst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verhollandst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verhollandst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verhollandst worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verhollandst worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verhollandst worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verhollandst zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verhollandst zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verhollandst zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zult verhollandsen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult verhollandst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verhollandst worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verhollandst zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van Hollands met het voorvoegsel ver- en met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van verhollandsen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verhollands | gebiedende wijs | verhollandsen |
| verhollandse | aanvoegende wijs | verhollandsen |
| verhollandsend | onvoltooid deelwoord | verhollandsen |
| verhollandsende | woordvorm | verhollandsen |
| verhollandst | voltooid deelwoord | verhollandsen |
| verhollandste | verleden tijd | verhollandsen |
| verhollandsten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verhollandsen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verhollandsen zijn vastgelegd.