verdoen
werkwoordBetekenis
- nutteloos besteden, verkwanselen, verspillen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
werkwoord
- Vernietigen, opmaken, verteren in het gebruik; in het gebruik voor een bep. doel verloren doen gaan, zodat het niet meer voor andere doeleinden kan worden gebruikt; verbruiken, opgebruiken. transitive
Vervoeging van verdoen
verdoenhele werkwoord — verdeedverleden tijd enkelvoud — verdedenverleden tijd meervoud — verdaanvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verdoe | verdeed |
| jij | verdoet | verdeed |
| hij, zij, het | verdoet | verdeed |
| wij | verdoen | verdeden |
| jullie | verdoen | verdeden |
| zij | verdoen | verdeden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verdaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verdaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verdaan | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verdaan | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verdaan | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verdaan | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verdaan worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verdaan zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verdaan worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verdaan zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verdaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verdaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verdaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verdaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verdaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verdaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verdaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verdaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verdaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verdaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verdaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verdaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verdaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verdaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verdaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verdaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verdaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verdaan | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verdoen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verdoen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verdaan | verleden tijd, deelwoord |
| verdaan te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verdaan te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verdaan te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verdaan te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verdaan te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verdaan worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verdaan zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verdaan zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verdaan zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verdaan zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verdeden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verdeden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| verdeden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| verdeed | verleden tijd |
| verdeed je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verdeed me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verdeed u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verdeed u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verdeed zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verdeed zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verdeed zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verdoe | gebiedende wijs |
| verdoe | aanvoegende wijs |
| verdoe me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verdoe u/je , verdoet je | gebiedende wijs |
| verdoe zich | aanvoegende wijs |
| verdoen je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verdoen ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verdoen zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verdoend | onvoltooid, deelwoord |
| verdoet je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verdoet u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verdoet u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verdoet zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verdoet zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verdoet zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| waart verdaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verdaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verdaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verdaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verdaan | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verdaan | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verdaan | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verdaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verdaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verdaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verdaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verdaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verdaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verdaan | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verdaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verdaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verdaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verdaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verdaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verdaan | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me verdoen | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal verdaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verdaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verdaan hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verdaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verdaan worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verdaan zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verdaan zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verdoen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verdoen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verdoen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal zich verdoen | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je verdoen | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich verdaan hebben | verleden tijd |
| zich verdoend | onvoltooid, deelwoord |
| zijn verdaan | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verdaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verdaan | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verdaan | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verdaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verdaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verdaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verdaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verdaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verdaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verdaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verdaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verdaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verdoen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verdoen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verdoen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verdaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verdaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verdaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verdaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verdaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verdaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verdaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verdaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verdaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verdoen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verdoen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verdoen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verdaan hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verdaan worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verdaan zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verdoen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen je verdoen | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons verdoen | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen verdaan hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verdaan hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
afgeleid van doen met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verdoen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verdaan | voltooid deelwoord | verdoen |
| verdane | woordvorm | verdoen |
| verdeden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verdoen |
| verdeed | verleden tijd | verdoen |
| verdoe | gebiedende wijs | verdoen |
| verdoend | onvoltooid deelwoord | verdoen |
| verdoende | woordvorm | verdoen |
| verdoet | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verdoen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verdoen zijn vastgelegd.