verdoemen
werkwoordBetekenis
- tot een onfortuinlijk en onvermijdelijk einde veroordelen
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Vervoeging van verdoemen
verdoemenhele werkwoord — verdoemdeverleden tijd enkelvoud — verdoemdenverleden tijd meervoud — verdoemdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verdoem | verdoemde |
| jij | verdoemt | verdoemde |
| hij, zij, het | verdoemt | verdoemde |
| wij | verdoemen | verdoemden |
| jullie | verdoemen | verdoemden |
| zij | verdoemen | verdoemden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verdoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verdoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verdoemd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verdoemd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verdoemd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verdoemd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verdoemd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verdoemd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verdoemd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verdoemd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verdoemd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verdoemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verdoemd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verdoemd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verdoemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verdoemd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verdoemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verdoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verdoemd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verdoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verdoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verdoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verdoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verdoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verdoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verdoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verdoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verdoemd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verdoemen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verdoemen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verdoem | gebiedende wijs |
| verdoemd | verleden tijd, deelwoord |
| verdoemd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verdoemd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verdoemd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verdoemd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verdoemd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verdoemd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verdoemd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verdoemd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verdoemd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verdoemd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verdoemde | verleden tijd |
| verdoeme | aanvoegende wijs |
| verdoemend | onvoltooid, deelwoord |
| waart verdoemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verdoemd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verdoemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verdoemd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verdoemd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verdoemd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verdoemd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verdoemd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verdoemd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verdoemd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verdoemd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verdoemd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verdoemd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verdoemd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verdoemd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verdoemd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verdoemd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verdoemd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verdoemd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verdoemd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal verdoemd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verdoemd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verdoemd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verdoemd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verdoemd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verdoemd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verdoemd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verdoemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verdoemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verdoemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn verdoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verdoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verdoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verdoemd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verdoemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verdoemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verdoemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verdoemd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verdoemd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verdoemd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verdoemd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verdoemd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verdoemd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verdoemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verdoemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verdoemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden verdoemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verdoemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verdoemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verdoemd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verdoemd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verdoemd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verdoemd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verdoemd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verdoemd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verdoemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verdoemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verdoemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt verdoemd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verdoemd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verdoemd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verdoemen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen verdoemd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verdoemd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verdoemd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verdoemd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verdoemd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verdoemd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verdoemd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen verdoemd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen verdoemd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen verdoemen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verdoemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen verdoemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen verdoemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult verdoemd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verdoemd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verdoemd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult verdoemen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Afgeleid van doemen met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verdoemen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verdoem | gebiedende wijs | verdoemen |
| verdoemden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verdoemen |
| verdoeme | aanvoegende wijs | verdoemen |
| verdoemend | onvoltooid deelwoord | verdoemen |
| verdoemende | woordvorm | verdoemen |
| verdoemt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verdoemen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verdoemen zijn vastgelegd.