verbreden
werkwoordBetekenis
- breder maken
Vervoeging van verbreden
verbredenhele werkwoord — verbreeddeverleden tijd enkelvoud — verbreeddenverleden tijd meervoud — verbreedvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | verbreed | verbreedde |
| jij | verbreedt | verbreedde |
| hij, zij, het | verbreedt | verbreedde |
| wij | verbreden | verbreedden |
| jullie | verbreden | verbreedden |
| zij | verbreden | verbreedden |
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben verbreed | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent verbreed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is verbreed | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was verbreed | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd verbreed | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt verbreed | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal verbreed worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal verbreed zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou verbreed worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou verbreed zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had verbreed | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had verbreed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had verbreed | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden verbreed | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden verbreed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden verbreed | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt verbreed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb verbreed | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verbreed | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben verbreed | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben verbreed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben verbreed | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt verbreed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verbreed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft verbreed | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is verbreed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is verbreed | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben verbreed | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te verbreden | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen verbreden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verbrede | aanvoegende wijs |
| verbrede zich | aanvoegende wijs |
| verbreden je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verbreden ons | eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verbreden zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verbredend | onvoltooid, deelwoord |
| verbreed | gebiedende wijs |
| verbreed | verleden tijd, deelwoord |
| verbreed me | eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verbreed te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verbreed te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| verbreed te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verbreed te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verbreed te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| verbreed u/je , verbreedt je | gebiedende wijs |
| verbreed worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verbreed zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| verbreed zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verbreed zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verbreed zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| verbreedde | verleden tijd |
| verbreedde je | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verbreedde me | eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verbreedde u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verbreedde u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verbreedde zich | derde persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verbreedde zich/u | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| verbreedde zich/u | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verbreedden je | tweede persoon, verleden tijd, meervoud |
| verbreedden ons | eerste persoon, verleden tijd, meervoud |
| verbreedden zich | derde persoon, verleden tijd, meervoud |
| verbreedt je | tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verbreedt u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verbreedt u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| verbreedt zich | derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud |
| verbreedt zich/u | tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud |
| verbreedt zich/u | tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud |
| waart verbreed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verbreed | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren verbreed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren verbreed | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was verbreed | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was verbreed | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was verbreed | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd verbreed | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd verbreed | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd verbreed | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden verbreed | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden verbreed | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden verbreed | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt verbreed | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word verbreed | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden verbreed | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden verbreed | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden verbreed | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt verbreed | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt verbreed | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal me verbreden | eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal verbreden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal verbreden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal verbreden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal verbreed hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verbreed hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal verbreed hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal verbreed worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verbreed worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal verbreed zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal verbreed zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal zich verbreden | derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zal, zult je verbreden | tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud |
| zich verbredend | onvoltooid, deelwoord |
| zich verbreed hebben | verleden tijd |
| zijn verbreed | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn verbreed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn verbreed | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt verbreed | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou verbreden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou verbreden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou verbreden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou verbreed hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verbreed hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verbreed hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou verbreed worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verbreed worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou verbreed worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verbreed zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou verbreed zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou verbreed zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verbreden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verbreden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verbreden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden verbreed hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verbreed hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verbreed hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verbreed worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden verbreed worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden verbreed worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden verbreed zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden verbreed zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden verbreed zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zoudt verbreden | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt verbreed hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verbreed worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt verbreed zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zullen je verbreden | tweede persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen ons verbreden | eerste persoon, toekomende tijd, meervoud |
| zullen verbreden | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen verbreden | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
Herkomst
Afgeleid van breed met het voorvoegsel ver-
Woordfamilie van verbreden
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verbredend | onvoltooid deelwoord | verbreden |
| verbredende | woordvorm | verbreden |
| verbreed | voltooid deelwoord | verbreden |
| verbreedde | verleden tijd | verbreden |
| verbreedden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | verbreden |
| verbreedt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | verbreden |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verbreden zijn vastgelegd.