vaststellen
werkwoord ˈvɑ(st)stɛlə(n)Betekenis
- bevestigen dat iets zo is
- bepalen
- opleggen
Hoe spreek je vaststellen uit?
/ˈvɑststɛlən/
Vaststellen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| t | tak |
| ɛ | bed |
| l | land |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van vaststellen
vaststellenhele werkwoord — stelde vastverleden tijd enkelvoud — stelden vastverleden tijd meervoud — vastgesteldvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | stel vast | stelde vast |
| jij | stelt vast | stelde vast |
| hij, zij, het | stelt vast | stelde vast |
| wij | stellen vast | stelden vast |
| jullie | stellen vast | stelden vast |
| zij | stellen vast | stelden vast |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben vastgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent vastgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is vastgesteld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was vastgesteld | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd vastgesteld | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt vastgesteld | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal vastgesteld worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal vastgesteld zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou vastgesteld worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou vastgesteld zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had vastgesteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had vastgesteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had vastgesteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden vastgesteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden vastgesteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden vastgesteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt vastgesteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb vastgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vastgesteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben vastgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben vastgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben vastgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt vastgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vastgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft vastgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is vastgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is vastgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| stel vast | gebiedende wijs |
| stelde vast | verleden tijd |
| te hebben vastgesteld | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vaststellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vast te stellen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vast te zullen stellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vast zal stellen | bijzin, toekomende tijd |
| vast zou stellen | bijzin, voorwaardelijk |
| vast zouden stellen | bijzin, voorwaardelijk |
| vast zoudt stellen | bijzin, voorwaardelijk |
| vast zullen stellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vast zullen stellen | bijzin, toekomende tijd |
| vast zult stellen | bijzin, toekomende tijd |
| vastgesteld | verleden tijd, deelwoord |
| vastgesteld te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vastgesteld te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vastgesteld te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vastgesteld te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vastgesteld te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vastgesteld worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vastgesteld zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| vastgesteld zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vastgesteld zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vastgesteld zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vaststel | bijzin, tegenwoordige tijd |
| vaststelde | bijzin, verleden tijd |
| vaststelden | bijzin, verleden tijd |
| vaststellend | onvoltooid, deelwoord |
| vaststelt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| waart vastgesteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vastgesteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren vastgesteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vastgesteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was vastgesteld | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was vastgesteld | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was vastgesteld | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd vastgesteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd vastgesteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd vastgesteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden vastgesteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden vastgesteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden vastgesteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt vastgesteld | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word vastgesteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden vastgesteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden vastgesteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden vastgesteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt vastgesteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt vastgesteld | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal vastgesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vastgesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vastgesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vastgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vastgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal vastgesteld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vastgesteld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vaststellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vaststellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vaststellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal vaststellen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn vastgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn vastgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn vastgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt vastgesteld | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou vastgesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vastgesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vastgesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vastgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vastgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou vastgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vastgesteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vastgesteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vastgesteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vaststellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vaststellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vaststellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou vaststellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) vaststellen vast zou(dt) stellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden vastgesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vastgesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vastgesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vastgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vastgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vastgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vastgesteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vastgesteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vastgesteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vaststellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vaststellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vaststellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden vaststellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt vastgesteld hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vastgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vastgesteld zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vaststellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt vaststellen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen vastgesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vastgesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vastgesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vastgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vastgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vastgesteld worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vastgesteld zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vastgesteld zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vastgesteld zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vaststellen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vaststellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vaststellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vaststellen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen vaststellen | bijzin, toekomende tijd |
| zult vastgesteld hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van vast en stellen
Woordfamilie van vaststellen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stel vast | gebiedende wijs | vaststellen |
| stelde vast | verleden tijd | vaststellen |
| stelden vast | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vaststellen |
| stelle vast | woordvorm | vaststellen |
| stellen vast | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | vaststellen |
| stelt vast | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vaststellen |
| vaststel | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vaststellen |
| vaststelde | subordinate-clause, verleden tijd | vaststellen |
| vaststelden | subordinate-clause, verleden tijd | vaststellen |
| vaststelle | with-subordinate-clause | vaststellen |
| vaststellend | onvoltooid deelwoord | vaststellen |
| vaststellende | woordvorm | vaststellen |
| vaststelt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vaststellen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vaststellen zijn vastgelegd.