vastlopen
werkwoord ˈvɑstlopə(n)Betekenis
- niet meer verder kunnen gaan
Hoe spreek je vastlopen uit?
/ˈvɑstlopən/
Vastlopen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| t | tak |
| l | land |
| o | boot |
| p | pak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van vastlopen
vastlopenhele werkwoord — liep vastverleden tijd enkelvoud — liepen vastverleden tijd meervoud — vastgelopenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | loop vast | liep vast |
| jij | loopt vast | liep vast |
| hij, zij, het | loopt vast | liep vast |
| wij | lopen vast | liepen vast |
| jullie | lopen vast | liepen vast |
| zij | lopen vast | liepen vast |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben vastgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent vastgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is vastgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is vastgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| liep vast | verleden tijd |
| loop vast | gebiedende wijs |
| te zijn vastgelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vastlopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vast te lopen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| vast te zullen lopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vast zal lopen | bijzin, toekomende tijd |
| vast zou lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| vast zouden lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| vast zoudt lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| vast zullen lopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vast zullen lopen | bijzin, toekomende tijd |
| vast zult lopen | bijzin, toekomende tijd |
| vastgelopen | verleden tijd, deelwoord |
| vastgelopen te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vastgelopen zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| vastliep | bijzin, verleden tijd |
| vastliepen | bijzin, verleden tijd |
| vastloop | bijzin, tegenwoordige tijd |
| vastloopt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| vastlopend | onvoltooid, deelwoord |
| waart vastgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vastgelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren vastgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren vastgelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was vastgelopen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was vastgelopen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was vastgelopen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal vastgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal vastgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal vastgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vastlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vastlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vastlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal vastlopen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn vastgelopen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn vastgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn vastgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn vastgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt vastgelopen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou vastgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou vastgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou vastgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vastlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vastlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vastlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou vastlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) vastlopen vast zou(dt) lopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden vastgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden vastgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden vastgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vastlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vastlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vastlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden vastlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt vastgelopen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vastlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt vastlopen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen vastgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen vastgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen vastgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vastlopen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vastlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vastlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vastlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen vastlopen | bijzin, toekomende tijd |
| zult vastgelopen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vastlopen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult vastlopen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal vastlopen vast zult/zal lopen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van vast en lopen
Woordfamilie van vastlopen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| liep vast | verleden tijd | vastlopen |
| liepen vast | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vastlopen |
| loop vast | gebiedende wijs | vastlopen |
| loopt vast | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vastlopen |
| lope vast | woordvorm | vastlopen |
| lopen vast | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | vastlopen |
| vastgelopen | voltooid deelwoord | vastlopen |
| vastliep | subordinate-clause, verleden tijd | vastlopen |
| vastliepen | subordinate-clause, verleden tijd | vastlopen |
| vastloop | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vastlopen |
| vastloopt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | vastlopen |
| vastlope | with-subordinate-clause | vastlopen |
| vastlopend | onvoltooid deelwoord | vastlopen |
| vastlopende | woordvorm | vastlopen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vastlopen zijn vastgelegd.