valideren
werkwoordBetekenis
- geldig, van kracht zijn
- in rekening gebracht worden
- dezelfde valentie hebben
- geldend maken, geldig verklaren
- in rekening brengen
- de geldigheid, validiteit beoordelen van (een toets, procedure enz.)
Vervoeging van valideren
validerenhele werkwoord — valideerdeverleden tijd enkelvoud — valideerdenverleden tijd meervoud — gevalideerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | valideer | valideerde |
| jij | valideert | valideerde |
| hij, zij, het | valideert | valideerde |
| wij | valideren | valideerden |
| jullie | valideren | valideerden |
| zij | valideren | valideerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gevalideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gevalideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gevalideerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gevalideerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gevalideerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gevalideerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gevalideerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gevalideerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gevalideerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gevalideerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gevalideerd | verleden tijd, deelwoord |
| gevalideerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gevalideerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gevalideerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevalideerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevalideerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevalideerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gevalideerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gevalideerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gevalideerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gevalideerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gevalideerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gevalideerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gevalideerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gevalideerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gevalideerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gevalideerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gevalideerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gevalideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevalideerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gevalideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevalideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gevalideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gevalideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevalideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevalideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gevalideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gevalideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gevalideerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te valideren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen valideren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| valideer | gebiedende wijs |
| valideerde | verleden tijd |
| validere | aanvoegende wijs |
| validerend | onvoltooid, deelwoord |
| waart gevalideerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gevalideerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gevalideerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gevalideerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gevalideerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gevalideerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gevalideerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gevalideerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gevalideerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gevalideerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gevalideerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gevalideerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gevalideerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gevalideerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gevalideerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gevalideerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gevalideerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gevalideerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gevalideerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gevalideerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gevalideerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevalideerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gevalideerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gevalideerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevalideerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gevalideerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevalideerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal valideren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal valideren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal valideren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gevalideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gevalideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gevalideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gevalideerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gevalideerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevalideerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevalideerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gevalideerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevalideerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gevalideerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevalideerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevalideerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevalideerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou valideren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou valideren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou valideren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gevalideerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevalideerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevalideerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gevalideerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gevalideerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gevalideerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gevalideerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevalideerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevalideerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden valideren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden valideren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden valideren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gevalideerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gevalideerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gevalideerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt valideren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gevalideerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevalideerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevalideerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gevalideerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gevalideerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gevalideerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gevalideerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevalideerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevalideerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen valideren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen valideren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen valideren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen valideren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gevalideerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gevalideerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gevalideerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult valideren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘rechtsgeldig zijn’ voor het eerst aangetroffen in 1597
Woordfamilie van valideren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gevalideerd | voltooid deelwoord | valideren |
| gevalideerde | woordvorm | valideren |
| valideer | gebiedende wijs | valideren |
| valideerde | verleden tijd | valideren |
| valideerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | valideren |
| valideert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | valideren |
| validerend | onvoltooid deelwoord | valideren |
| validerende | woordvorm | valideren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van valideren zijn vastgelegd.