Naar de inhoud

valideren

geldig, van kracht zijn

valideren

werkwoord

Betekenis

  1. geldig, van kracht zijn
  2. in rekening gebracht worden
  3. dezelfde valentie hebben
  4. geldend maken, geldig verklaren
  5. in rekening brengen
  6. de geldigheid, validiteit beoordelen van (een toets, procedure enz.)

Vervoeging van valideren

validerenhele werkwoord — valideerdeverleden tijd enkelvoud — valideerdenverleden tijd meervoud — gevalideerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik valideer valideerde
jij valideert valideerde
hij, zij, het valideert valideerde
wij valideren valideerden
jullie valideren valideerden
zij valideren valideerden
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben gevalideerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent gevalideerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is gevalideerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gevalideerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gevalideerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gevalideerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gevalideerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gevalideerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gevalideerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gevalideerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gevalideerd verleden tijd, deelwoord
gevalideerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gevalideerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
gevalideerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gevalideerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
gevalideerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gevalideerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gevalideerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
gevalideerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gevalideerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
gevalideerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gevalideerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gevalideerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gevalideerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gevalideerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gevalideerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gevalideerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gevalideerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gevalideerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gevalideerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gevalideerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gevalideerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gevalideerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gevalideerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gevalideerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gevalideerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is gevalideerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is gevalideerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben gevalideerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te valideren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen valideren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
valideer gebiedende wijs
valideerde verleden tijd
validere aanvoegende wijs
validerend onvoltooid, deelwoord
waart gevalideerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gevalideerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren gevalideerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren gevalideerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was gevalideerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was gevalideerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was gevalideerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd gevalideerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd gevalideerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd gevalideerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden gevalideerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden gevalideerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden gevalideerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt gevalideerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word gevalideerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden gevalideerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden gevalideerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden gevalideerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt gevalideerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt gevalideerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal gevalideerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gevalideerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gevalideerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gevalideerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gevalideerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal gevalideerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gevalideerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal valideren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal valideren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal valideren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn gevalideerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn gevalideerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn gevalideerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt gevalideerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou gevalideerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gevalideerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gevalideerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gevalideerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gevalideerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou gevalideerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gevalideerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gevalideerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gevalideerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou valideren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou valideren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou valideren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gevalideerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gevalideerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gevalideerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gevalideerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden gevalideerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden gevalideerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gevalideerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gevalideerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gevalideerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden valideren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden valideren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden valideren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gevalideerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gevalideerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gevalideerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt valideren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gevalideerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gevalideerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gevalideerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gevalideerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen gevalideerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen gevalideerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gevalideerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gevalideerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gevalideerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen valideren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen valideren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen valideren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen valideren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gevalideerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gevalideerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gevalideerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult valideren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘rechtsgeldig zijn’ voor het eerst aangetroffen in 1597

Woordfamilie van valideren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gevalideerd voltooid deelwoord valideren
gevalideerde woordvorm valideren
valideer gebiedende wijs valideren
valideerde verleden tijd valideren
valideerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon valideren
valideert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon valideren
validerend onvoltooid deelwoord valideren
validerende woordvorm valideren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van valideren zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over valideren

Wat betekent valideren?
Valideren is een werkwoord. Het woord betekent: geldig, van kracht zijn. Deze pagina beschrijft 6 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je valideren?
Je vervoegt valideren als volgt: de tegenwoordige tijd is valideer, de verleden tijd is valideerde en het voltooid deelwoord is gevalideerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Scrabble punten

Naar spel

Het woord valideren is 16 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. V 4
  2. A 1
  3. L 3
  4. I 1
  5. D 2
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 16 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

valideren levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 75 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. V 4
  2. A 1
  3. L 3
  4. I 2
  5. D 2
  6. E 1
  7. R 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 17 zonder bonus
  11. 75 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (V) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

valideren in het kort

valideren staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 6 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van valideren zijn 75 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort valideren bij een woordfamilie van 8 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

valideren: geldig, van kracht zijn
Deel valideren — standaardnederlands.nl