vaccineren
werkwoordBetekenis
- een injectie met een vaccin geven
Vervoeging van vaccineren
vaccinerenhele werkwoord — vaccineerdeverleden tijd enkelvoud — vaccineerdenverleden tijd meervoud — gevaccineerdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | vaccineer | vaccineerde |
| jij | vaccineert | vaccineerde |
| hij, zij, het | vaccineert | vaccineerde |
| wij | vaccineren | vaccineerden |
| jullie | vaccineren | vaccineerden |
| zij | vaccineren | vaccineerden |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben gevaccineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent gevaccineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is gevaccineerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gevaccineerd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gevaccineerd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gevaccineerd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gevaccineerd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gevaccineerd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gevaccineerd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gevaccineerd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gevaccineerd | verleden tijd, deelwoord |
| gevaccineerd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gevaccineerd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| gevaccineerd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevaccineerd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevaccineerd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gevaccineerd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gevaccineerd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| gevaccineerd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gevaccineerd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gevaccineerd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gevaccineerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gevaccineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gevaccineerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gevaccineerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gevaccineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gevaccineerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gevaccineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gevaccineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevaccineerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gevaccineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gevaccineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gevaccineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gevaccineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevaccineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gevaccineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is gevaccineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is gevaccineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben gevaccineerd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te vaccineren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen vaccineren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| vaccineer | gebiedende wijs |
| vaccineerde | verleden tijd |
| vaccinere | aanvoegende wijs |
| vaccinerend | onvoltooid, deelwoord |
| waart gevaccineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gevaccineerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren gevaccineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren gevaccineerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was gevaccineerd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was gevaccineerd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was gevaccineerd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd gevaccineerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd gevaccineerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd gevaccineerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden gevaccineerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden gevaccineerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden gevaccineerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt gevaccineerd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word gevaccineerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden gevaccineerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden gevaccineerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden gevaccineerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt gevaccineerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt gevaccineerd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal gevaccineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevaccineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gevaccineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gevaccineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevaccineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal gevaccineerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gevaccineerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal vaccineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal vaccineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal vaccineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn gevaccineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn gevaccineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn gevaccineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt gevaccineerd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou gevaccineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevaccineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevaccineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gevaccineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevaccineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou gevaccineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevaccineerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gevaccineerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gevaccineerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou vaccineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou vaccineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou vaccineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gevaccineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevaccineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevaccineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gevaccineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden gevaccineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden gevaccineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gevaccineerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gevaccineerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gevaccineerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden vaccineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden vaccineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden vaccineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gevaccineerd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gevaccineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gevaccineerd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt vaccineren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gevaccineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevaccineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevaccineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gevaccineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen gevaccineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen gevaccineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gevaccineerd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gevaccineerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gevaccineerd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen vaccineren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen vaccineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen vaccineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen vaccineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gevaccineerd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gevaccineerd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gevaccineerd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult vaccineren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘inenten met koepokstof’ voor het eerst aangetroffen in 1824
Woordfamilie van vaccineren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gevaccineerd | voltooid deelwoord | vaccineren |
| gevaccineerde | woordvorm | vaccineren |
| vaccineer | gebiedende wijs | vaccineren |
| vaccineerde | verleden tijd | vaccineren |
| vaccineerden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | vaccineren |
| vaccineert | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | vaccineren |
| vaccinere | aanvoegende wijs | vaccineren |
| vaccinerend | onvoltooid deelwoord | vaccineren |
| vaccinerende | woordvorm | vaccineren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vaccineren zijn vastgelegd.