vaatdoek
zelfstandig naamwoordBetekenis
- doek waarmee je aanrecht, gootsteen en fornuis schoonmaakt
zelfstandig naamwoord — masculine
- vadoek, doek waarmee je aanrecht, gootsteen en fornuis schoonmaakt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vaatdoeken | meervoud |
| vaatdoekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| vaatdoekjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van vaat en doek
Woordfamilie van vaatdoek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vaatdoeken | meervoud | vaatdoek |
| vaatdoekje | verkleinwoord | vaatdoek |
| vaatdoekjes | verkleinwoord meervoud | vaatdoek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vaatdoek zijn vastgelegd.