Naar de inhoud

uniëren

een unie sluiten, (zich) verenigen

uniëren

werkwoord

Betekenis

  1. een unie sluiten, (zich) verenigen

Vervoeging van uniëren

uniërenhele werkwoord — unieerdeverleden tijd enkelvoud — unieerdenverleden tijd meervoud — geünieerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik unieer unieerde
jij unieert unieerde
hij, zij, het unieert unieerde
wij uniëren unieerden
jullie uniëren unieerden
zij uniëren unieerden
Alle 160 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben geünieerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent geünieerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is geünieerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was geünieerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd geünieerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt geünieerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal geünieerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal geünieerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou geünieerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou geünieerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
geünieerd verleden tijd, deelwoord
geünieerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geünieerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
geünieerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geünieerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
geünieerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
geünieerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geünieerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
geünieerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
geünieerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
geünieerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had geünieerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had geünieerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had geünieerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden geünieerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden geünieerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden geünieerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt geünieerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb geünieerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geünieerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben geünieerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben geünieerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben geünieerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt geünieerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geünieerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft geünieerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is geünieerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is geünieerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben geünieerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te uniëren actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uniëren actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
unieer gebiedende wijs
unieer me eerste persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
unieer u/je , unieert je gebiedende wijs
unieerde verleden tijd
unieerde je tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
unieerde me eerste persoon, verleden tijd, enkelvoud
unieerde u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
unieerde u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
unieerde zich derde persoon, verleden tijd, enkelvoud
unieerde zich/u tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
unieerde zich/u tweede persoon, verleden tijd, meervoud
unieerden je tweede persoon, verleden tijd, meervoud
unieerden ons eerste persoon, verleden tijd, meervoud
unieerden zich derde persoon, verleden tijd, meervoud
unieert je tweede persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
unieert u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
unieert u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
unieert zich derde persoon, tegenwoordige tijd, enkelvoud
unieert zich/u tweede persoon, verleden tijd, enkelvoud
unieert zich/u tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
uniëre aanvoegende wijs
uniëre zich aanvoegende wijs
uniëren je tweede persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
uniëren ons eerste persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
uniëren zich derde persoon, tegenwoordige tijd, meervoud
uniërend onvoltooid, deelwoord
waart geünieerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geünieerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren geünieerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren geünieerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was geünieerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was geünieerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was geünieerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd geünieerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd geünieerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd geünieerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden geünieerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden geünieerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden geünieerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt geünieerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word geünieerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden geünieerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden geünieerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden geünieerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt geünieerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt geünieerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal geünieerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geünieerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal geünieerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal geünieerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geünieerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal geünieerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal geünieerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal me uniëren eerste persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal uniëren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uniëren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uniëren aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal zich uniëren derde persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zal, zult je uniëren tweede persoon, toekomende tijd, enkelvoud
zich geünieerd hebben verleden tijd
zich uniërend onvoltooid, deelwoord
zijn geünieerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn geünieerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn geünieerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt geünieerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou geünieerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geünieerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geünieerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou geünieerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geünieerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou geünieerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geünieerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou geünieerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou geünieerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uniëren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uniëren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uniëren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden geünieerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geünieerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geünieerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geünieerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden geünieerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden geünieerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden geünieerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden geünieerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden geünieerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uniëren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uniëren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uniëren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt geünieerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geünieerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt geünieerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uniëren aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen geünieerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen geünieerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen geünieerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen geünieerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon

Herkomst

afgeleid van het Franse unir (met het achtervoegsel -eren)

Woordfamilie van uniëren

Woordvorm Relatie Afgeleid van
geünieerd voltooid deelwoord uniëren
unieer gebiedende wijs uniëren
unieerde verleden tijd uniëren
unieerden aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uniëren
unieert aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uniëren
uniëre aanvoegende wijs uniëren
uniërend onvoltooid deelwoord uniëren
uniërende woordvorm uniëren

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uniëren zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uniëren

Wat betekent uniëren?
Uniëren is een werkwoord. Het woord betekent: een unie sluiten, (zich) verenigen.
Hoe vervoeg je uniëren?
Je vervoegt uniëren als volgt: de tegenwoordige tijd is unieer, de verleden tijd is unieerde en het voltooid deelwoord is geünieerd. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uniëren is 11 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. N 1
  3. I 1
  4. E 1
  5. R 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 11 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uniëren levert met Wordfeud minimaal 10 en maximaal 82 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. N 1
  3. I 2
  4. E 1
  5. R 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 10 zonder bonus
  9. 82 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (U) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

uniëren in het kort

uniëren staat in dit woordenboek als werkwoord. Van uniëren zijn 103 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort uniëren bij een woordfamilie van 8 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

uniëren: een unie sluiten, (zich) verenigen
Deel uniëren — standaardnederlands.nl