uitzwaaien
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈœytswajə(n)Betekenis
- zwaaien bij iemands vertrek
Hoe spreek je uitzwaaien uit?
/ˈœytswajən/
Uitzwaaien bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| t | tak |
| s | sok |
| w | quiz |
| a | maan |
| j | ja |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van uitzwaaien
uitzwaaienhele werkwoord — zwaaide uitverleden tijd enkelvoud — zwaaiden uitverleden tijd meervoud — uitgezwaaidvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zwaai uit | zwaaide uit |
| jij | zwaait uit | zwaaide uit |
| hij, zij, het | zwaait uit | zwaaide uit |
| wij | zwaaien uit | zwaaiden uit |
| jullie | zwaaien uit | zwaaiden uit |
| zij | zwaaien uit | zwaaiden uit |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgezwaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgezwaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgezwaaid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgezwaaid | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgezwaaid | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgezwaaid | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgezwaaid worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgezwaaid zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgezwaaid worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgezwaaid zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgezwaaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgezwaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgezwaaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgezwaaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgezwaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgezwaaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgezwaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgezwaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgezwaaid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgezwaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgezwaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgezwaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgezwaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgezwaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgezwaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgezwaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgezwaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgezwaaid | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitzwaaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te zullen zwaaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te zwaaien | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit zal zwaaien | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou zwaaien | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden zwaaien | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt zwaaien | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen zwaaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen zwaaien | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult zwaaien | bijzin, toekomende tijd |
| uitgezwaaid | verleden tijd, deelwoord |
| uitgezwaaid te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgezwaaid te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgezwaaid te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgezwaaid te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgezwaaid te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgezwaaid worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgezwaaid zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgezwaaid zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgezwaaid zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgezwaaid zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitzwaai | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitzwaaide | bijzin, verleden tijd |
| uitzwaaiden | bijzin, verleden tijd |
| uitzwaaiend | onvoltooid, deelwoord |
| uitzwaait | bijzin, tegenwoordige tijd |
| waart uitgezwaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgezwaaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgezwaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgezwaaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgezwaaid | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgezwaaid | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgezwaaid | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgezwaaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgezwaaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgezwaaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgezwaaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgezwaaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgezwaaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgezwaaid | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgezwaaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgezwaaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgezwaaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgezwaaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgezwaaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgezwaaid | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgezwaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgezwaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgezwaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgezwaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgezwaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgezwaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgezwaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitzwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitzwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitzwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitzwaaien | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgezwaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgezwaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgezwaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgezwaaid | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgezwaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgezwaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgezwaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgezwaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgezwaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgezwaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgezwaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgezwaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgezwaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitzwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitzwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitzwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitzwaaien | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitzwaaien uit zou(dt) zwaaien | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgezwaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgezwaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgezwaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgezwaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgezwaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgezwaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgezwaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgezwaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgezwaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitzwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitzwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitzwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitzwaaien | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgezwaaid hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgezwaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgezwaaid zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitzwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitzwaaien | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgezwaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgezwaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgezwaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgezwaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgezwaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgezwaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgezwaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgezwaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgezwaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitzwaaien | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitzwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitzwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitzwaaien | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitzwaaien | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgezwaaid hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitgezwaaid worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitgezwaaid zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord uitzwaai
Herkomst
samenstelling van uit bw en zwaaien ww
Woordfamilie van uitzwaaien
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uitgezwaaid | voltooid deelwoord | uitzwaaien |
| uitgezwaaide | woordvorm | uitzwaaien |
| uitzwaaide | subordinate-clause, verleden tijd | uitzwaaien |
| uitzwaaiden | subordinate-clause, verleden tijd | uitzwaaien |
| uitzwaaie | with-subordinate-clause | uitzwaaien |
| uitzwaaiend | onvoltooid deelwoord | uitzwaaien |
| uitzwaaiende | woordvorm | uitzwaaien |
| uitzwaait | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitzwaaien |
| zwaai uit | gebiedende wijs | uitzwaaien |
| zwaaide uit | verleden tijd | uitzwaaien |
| zwaaiden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitzwaaien |
| zwaaie uit | woordvorm | uitzwaaien |
| zwaaien uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitzwaaien |
| zwaait uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitzwaaien |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitzwaaien zijn vastgelegd.