uitzoomen
werkwoord ˈœytsumə(n)Betekenis
- wat je eerst zag kleiner maken, zodat er meer in beeld komt (met een camera of beeldscherm)
- aandacht geven aan het grote geheel
Hoe spreek je uitzoomen uit?
/ˈœytsumən/
Uitzoomen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| t | tak |
| s | sok |
| u | boek |
| m | maan |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van uitzoomen
uitzoomenhele werkwoord — zoomde uitverleden tijd enkelvoud — zoomden uitverleden tijd meervoud — uitgezoomdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zoom uit | zoomde uit |
| jij | zoomt uit | zoomde uit |
| hij, zij, het | zoomt uit | zoomde uit |
| wij | zoomen uit | zoomden uit |
| jullie | zoomen uit | zoomden uit |
| zij | zoomen uit | zoomden uit |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgezoomd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgezoomd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgezoomd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgezoomd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgezoomd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgezoomd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgezoomd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgezoomd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgezoomd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgezoomd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgezoomd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgezoomd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgezoomd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgezoomd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgezoomd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgezoomd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitzoomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te zoomen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen zoomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal zoomen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou zoomen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden zoomen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt zoomen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen zoomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen zoomen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult zoomen | bijzin, toekomende tijd |
| uitgezoomd | verleden tijd, deelwoord |
| uitgezoomd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgezoomd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitzoom | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitzoomde | bijzin, verleden tijd |
| uitzoomden | bijzin, verleden tijd |
| uitzoomend | onvoltooid, deelwoord |
| uitzoomt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| zal uitgezoomd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgezoomd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgezoomd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitzoomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitzoomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitzoomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitzoomen | bijzin, toekomende tijd |
| zoom uit | gebiedende wijs |
| zoomde uit | verleden tijd |
| zou uitgezoomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgezoomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgezoomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitzoomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitzoomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitzoomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitzoomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitzoomen uit zou(dt) zoomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgezoomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgezoomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgezoomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitzoomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitzoomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitzoomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitzoomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgezoomd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitzoomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitzoomen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgezoomd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgezoomd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgezoomd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitzoomen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitzoomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitzoomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitzoomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitzoomen | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgezoomd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitzoomen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult uitzoomen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal uitzoomen uit zult/zal zoomen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘met een zoomlens het beeld verder weg brengen’ voor het eerst aangetroffen in 1973
Woordfamilie van uitzoomen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uitgezoomd | voltooid deelwoord | uitzoomen |
| uitzoom | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitzoomen |
| uitzoomde | subordinate-clause, verleden tijd | uitzoomen |
| uitzoomden | subordinate-clause, verleden tijd | uitzoomen |
| uitzoome | with-subordinate-clause | uitzoomen |
| uitzoomend | onvoltooid deelwoord | uitzoomen |
| uitzoomende | woordvorm | uitzoomen |
| uitzoomt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitzoomen |
| zoom uit | gebiedende wijs | uitzoomen |
| zoomde uit | verleden tijd | uitzoomen |
| zoomden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitzoomen |
| zoome uit | woordvorm | uitzoomen |
| zoomen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitzoomen |
| zoomt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitzoomen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitzoomen zijn vastgelegd.