uitzonderen
werkwoordBetekenis
- buiten een bepaalde regel plaatsen
Vervoeging van uitzonderen
uitzonderenhele werkwoord — zonderde uitverleden tijd enkelvoud — zonderden uitverleden tijd meervoud — uitgezonderdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zonder uit | zonderde uit |
| jij | zondert uit | zonderde uit |
| hij, zij, het | zondert uit | zonderde uit |
| wij | zonderen uit | zonderden uit |
| jullie | zonderen uit | zonderden uit |
| zij | zonderen uit | zonderden uit |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgezonderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgezonderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgezonderd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgezonderd | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgezonderd | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgezonderd | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgezonderd worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgezonderd zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgezonderd worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgezonderd zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgezonderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgezonderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgezonderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgezonderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgezonderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgezonderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgezonderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgezonderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgezonderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgezonderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgezonderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgezonderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgezonderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgezonderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgezonderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgezonderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgezonderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgezonderd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitzonderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te zonderen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen zonderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal zonderen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou zonderen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden zonderen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt zonderen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen zonderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen zonderen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult zonderen | bijzin, toekomende tijd |
| uitgezonderd | verleden tijd, deelwoord |
| uitgezonderd te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgezonderd te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgezonderd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgezonderd te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgezonderd te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgezonderd worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgezonderd zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgezonderd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgezonderd zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgezonderd zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitzonder | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitzonderde | bijzin, verleden tijd |
| uitzonderden | bijzin, verleden tijd |
| uitzonderend | onvoltooid, deelwoord |
| uitzondert | bijzin, tegenwoordige tijd |
| waart uitgezonderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgezonderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgezonderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgezonderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgezonderd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgezonderd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgezonderd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgezonderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgezonderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgezonderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgezonderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgezonderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgezonderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgezonderd | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgezonderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgezonderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgezonderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgezonderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgezonderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgezonderd | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgezonderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgezonderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgezonderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgezonderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgezonderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgezonderd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgezonderd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitzonderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitzonderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitzonderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitzonderen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgezonderd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgezonderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgezonderd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgezonderd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zonder uit | gebiedende wijs |
| zonderde uit | verleden tijd |
| zou uitgezonderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgezonderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgezonderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgezonderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgezonderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgezonderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgezonderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgezonderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgezonderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitzonderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitzonderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitzonderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitzonderen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitzonderen uit zou(dt) zonderen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgezonderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgezonderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgezonderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgezonderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgezonderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgezonderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgezonderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgezonderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgezonderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitzonderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitzonderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitzonderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitzonderen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgezonderd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgezonderd worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgezonderd zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitzonderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitzonderen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgezonderd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgezonderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgezonderd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgezonderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgezonderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgezonderd worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgezonderd zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgezonderd zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgezonderd zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitzonderen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitzonderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitzonderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitzonderen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitzonderen | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgezonderd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van uit bw en zonderen (verouderd werkwoord) "afscheiden"
Woordfamilie van uitzonderen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uitgezonderde | woordvorm | uitzonderen |
| uitzonder | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitzonderen |
| uitzonderde | subordinate-clause, verleden tijd | uitzonderen |
| uitzonderden | subordinate-clause, verleden tijd | uitzonderen |
| uitzondere | with-subordinate-clause | uitzonderen |
| uitzonderend | onvoltooid deelwoord | uitzonderen |
| uitzonderende | woordvorm | uitzonderen |
| uitzondert | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitzonderen |
| zonder uit | gebiedende wijs | uitzonderen |
| zonderde uit | verleden tijd | uitzonderen |
| zonderden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitzonderen |
| zondere uit | woordvorm | uitzonderen |
| zonderen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitzonderen |
| zondert uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitzonderen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitzonderen zijn vastgelegd.