uitzitten
werkwoord ˈœytsɪtə(n)Betekenis
- de relatief lange tijd dat men ergens hoort te zijn daar ook inderdaad blijven
- tweede betekenisomschrijving
- enz.
Hoe spreek je uitzitten uit?
/ˈœytsɪtən/
Uitzitten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| t | tak |
| s | sok |
| ɪ | pit |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- een vooraf bepaalde tijd ergens gedwongen verblijven; voltooien van een gevangenisstraf transitive
Vervoeging van uitzitten
uitzittenhele werkwoord — zat uitverleden tijd enkelvoud — zaten uitverleden tijd meervoud — uitgezetenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | zit uit | zat uit |
| jij | zit uit | zat uit |
| hij, zij, het | zit uit | zat uit |
| wij | zitten uit | zaten uit |
| jullie | zitten uit | zaten uit |
| zij | zitten uit | zaten uit |
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgezeten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgezeten | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgezeten | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgezeten | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgezeten worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgezeten zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgezeten worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgezeten zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgezeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgezeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgezeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgezeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgezeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgezeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgezeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgezeten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgezeten | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitzitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te zitten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen zitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal zitten | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou zitten | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden zitten | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt zitten | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen zitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen zitten | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult zitten | bijzin, toekomende tijd |
| uitgezeten | verleden tijd, deelwoord |
| uitgezeten te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgezeten te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgezeten te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgezeten te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgezeten te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgezeten worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgezeten zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgezeten zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgezeten zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgezeten zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitzat | bijzin, verleden tijd |
| uitzaten | bijzin, verleden tijd |
| uitzit | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitzittend | onvoltooid, deelwoord |
| waart uitgezeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgezeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgezeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgezeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgezeten | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgezeten | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgezeten | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgezeten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgezeten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgezeten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgezeten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgezeten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgezeten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgezeten | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgezeten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgezeten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgezeten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgezeten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgezeten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgezeten | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgezeten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgezeten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgezeten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgezeten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitzitten | bijzin, toekomende tijd |
| zat uit | verleden tijd |
| zijn uitgezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgezeten | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zit uit | gebiedende wijs |
| zou uitgezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgezeten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgezeten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgezeten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgezeten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgezeten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgezeten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitzitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitzitten uit zou(dt) zitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgezeten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgezeten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgezeten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgezeten zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgezeten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgezeten zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitzitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgezeten hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgezeten worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgezeten zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitzitten | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgezeten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgezeten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgezeten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgezeten zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgezeten zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgezeten zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitzitten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitzitten | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitzitten | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgezeten hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitgezeten worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van uit bw en zitten ww
Woordfamilie van uitzitten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uitgezeten | voltooid deelwoord | uitzitten |
| uitzat | subordinate-clause, verleden tijd | uitzitten |
| uitzaten | subordinate-clause, verleden tijd | uitzitten |
| uitzit | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitzitten |
| uitzitte | with-subordinate-clause | uitzitten |
| uitzittend | onvoltooid deelwoord | uitzitten |
| uitzittende | woordvorm | uitzitten |
| zat uit | verleden tijd | uitzitten |
| zaten uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitzitten |
| zit uit | gebiedende wijs | uitzitten |
| zitte uit | woordvorm | uitzitten |
| zitten uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitzitten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitzitten zijn vastgelegd.