Naar de inhoud

uitzitten

de relatief lange tijd dat men ergens hoort te zijn daar ook inderdaad blijven

uitzitten

werkwoord ˈœytsɪtə(n)

Betekenis

  1. de relatief lange tijd dat men ergens hoort te zijn daar ook inderdaad blijven
  2. tweede betekenisomschrijving
  3. enz.

Hoe spreek je uitzitten uit?

/ˈœytsɪtən/

Uitzitten bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈœytsɪtən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
œy huis
t tak
s sok
ɪ pit
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. een vooraf bepaalde tijd ergens gedwongen verblijven; voltooien van een gevangenisstraf transitive

Vervoeging van uitzitten

uitzittenhele werkwoord — zat uitverleden tijd enkelvoud — zaten uitverleden tijd meervoud — uitgezetenvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik zit uit zat uit
jij zit uit zat uit
hij, zij, het zit uit zat uit
wij zitten uit zaten uit
jullie zitten uit zaten uit
zij zitten uit zaten uit
Alle 144 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgezeten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgezeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgezeten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgezeten impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgezeten impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgezeten impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgezeten worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgezeten zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgezeten worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgezeten zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgezeten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgezeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgezeten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgezeten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgezeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgezeten voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgezeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgezeten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgezeten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgezeten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgezeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgezeten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgezeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgezeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgezeten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgezeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgezeten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben uitgezeten actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitzitten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te zitten actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen zitten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal zitten bijzin, toekomende tijd
uit zou zitten bijzin, voorwaardelijk
uit zouden zitten bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt zitten bijzin, voorwaardelijk
uit zullen zitten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen zitten bijzin, toekomende tijd
uit zult zitten bijzin, toekomende tijd
uitgezeten verleden tijd, deelwoord
uitgezeten te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgezeten te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgezeten te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgezeten te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgezeten te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgezeten worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgezeten zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgezeten zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgezeten zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgezeten zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitzat bijzin, verleden tijd
uitzaten bijzin, verleden tijd
uitzit bijzin, tegenwoordige tijd
uitzittend onvoltooid, deelwoord
waart uitgezeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgezeten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgezeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgezeten voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgezeten voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgezeten voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgezeten voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgezeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgezeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgezeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgezeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgezeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgezeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgezeten enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgezeten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgezeten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgezeten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgezeten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgezeten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgezeten enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitgezeten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgezeten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgezeten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgezeten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgezeten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgezeten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgezeten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitzitten bijzin, toekomende tijd
zat uit verleden tijd
zijn uitgezeten voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgezeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgezeten voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgezeten voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zit uit gebiedende wijs
zou uitgezeten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgezeten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgezeten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgezeten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgezeten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgezeten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgezeten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgezeten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgezeten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitzitten bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitzitten uit zou(dt) zitten bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgezeten hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgezeten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgezeten hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgezeten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgezeten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgezeten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgezeten zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgezeten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgezeten zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitzitten bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgezeten hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgezeten worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgezeten zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitzitten bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgezeten hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgezeten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgezeten hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgezeten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgezeten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgezeten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgezeten zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgezeten zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgezeten zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitzitten actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitzitten aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitzitten bijzin, toekomende tijd
zult uitgezeten hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitgezeten worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van uit bw en zitten ww

Woordfamilie van uitzitten

Woordvorm Relatie Afgeleid van
uitgezeten voltooid deelwoord uitzitten
uitzat subordinate-clause, verleden tijd uitzitten
uitzaten subordinate-clause, verleden tijd uitzitten
uitzit subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitzitten
uitzitte with-subordinate-clause uitzitten
uitzittend onvoltooid deelwoord uitzitten
uitzittende woordvorm uitzitten
zat uit verleden tijd uitzitten
zaten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitzitten
zit uit gebiedende wijs uitzitten
zitte uit woordvorm uitzitten
zitten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitzitten

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitzitten zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitzitten

Hoe spreek ik uitzitten uit?
Zo spreek je uitzitten uit: /ˈœytsɪtə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van uitzitten?
Uitzitten is een werkwoord. De betekenis is: de relatief lange tijd dat men ergens hoort te zijn daar ook inderdaad blijven. In totaal staan er 4 betekenissen.
Hoe vervoeg ik uitzitten?
Zo vervoeg je uitzitten zo: het voltooid deelwoord is uitgezeten. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitzitten is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. Z 4
  5. I 1
  6. T 2
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitzitten levert met Wordfeud minimaal 19 en maximaal 87 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. Z 5
  5. I 2
  6. T 2
  7. T 2
  8. E 1
  9. N 1
  10. 19 zonder bonus
  11. 87 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (Z) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitzitten in het kort

uitzitten staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven vind je 4 betekenissen, met daarbij de bijbehorende woordsoort. Van uitzitten staan er 86 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitzitten bij een woordfamilie van 12 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitzitten: de relatief lange tijd dat men ergens hoort te zijn daar ook inderdaad blijven
Deel uitzitten — standaardnederlands.nl