uitwonen
werkwoord ˈœytwonə(n)Betekenis
- door nonchalante bewoning en slecht onderhoud verslijten, doen vervallen
- niet intern verblijven, wonen (in het bijzonder: overnachten) op een andere plaats dan verwacht wordt van de leden van een bepaald gezin of verband
- met iemand lang en heftig seks hebben totdat die lichamelijk uitgeput is
Hoe spreek je uitwonen uit?
/ˈœytwonən/
Uitwonen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| t | tak |
| w | quiz |
| o | boot |
| n | nek |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van uitwonen
uitwonenhele werkwoord — woonde uitverleden tijd enkelvoud — woonden uitverleden tijd meervoud — uitgewoondvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | woon uit | woonde uit |
| jij | woont uit | woonde uit |
| hij, zij, het | woont uit | woonde uit |
| wij | wonen uit | woonden uit |
| jullie | wonen uit | woonden uit |
| zij | wonen uit | woonden uit |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgewoond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgewoond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgewoond | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgewoond | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgewoond | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgewoond | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgewoond worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgewoond zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgewoond worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgewoond zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgewoond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgewoond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgewoond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgewoond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgewoond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgewoond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgewoond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgewoond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgewoond | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgewoond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgewoond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgewoond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgewoond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgewoond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgewoond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgewoond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgewoond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgewoond | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitwonen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te wonen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen wonen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal wonen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou wonen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden wonen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt wonen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen wonen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen wonen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult wonen | bijzin, toekomende tijd |
| uitgewoond | verleden tijd, deelwoord |
| uitgewoond te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgewoond te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgewoond te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgewoond te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgewoond te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgewoond worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgewoond zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgewoond zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgewoond zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgewoond zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitwonend | onvoltooid, deelwoord |
| uitwoon | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitwoonde | bijzin, verleden tijd |
| uitwoonden | bijzin, verleden tijd |
| uitwoont | bijzin, tegenwoordige tijd |
| waart uitgewoond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgewoond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgewoond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgewoond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgewoond | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgewoond | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgewoond | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgewoond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgewoond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgewoond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgewoond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgewoond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgewoond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgewoond | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| woon uit | gebiedende wijs |
| woonde uit | verleden tijd |
| word uitgewoond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgewoond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgewoond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgewoond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgewoond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgewoond | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgewoond hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgewoond hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgewoond hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgewoond worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgewoond worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgewoond zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgewoond zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitwonen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitwonen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitwonen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitwonen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgewoond | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgewoond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgewoond | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgewoond | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgewoond hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgewoond hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgewoond hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgewoond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgewoond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgewoond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgewoond zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgewoond zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgewoond zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitwonen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitwonen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitwonen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitwonen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitwonen uit zou(dt) wonen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgewoond hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgewoond hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgewoond hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgewoond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgewoond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgewoond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgewoond zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgewoond zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgewoond zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitwonen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitwonen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitwonen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitwonen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgewoond hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgewoond worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgewoond zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitwonen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitwonen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgewoond hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgewoond hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgewoond hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgewoond worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgewoond worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgewoond worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgewoond zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgewoond zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgewoond zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitwonen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitwonen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitwonen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitwonen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitwonen | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgewoond hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van uit bw en wonen ww
Woordfamilie van uitwonen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uitgewoond | voltooid deelwoord | uitwonen |
| uitwone | with-subordinate-clause | uitwonen |
| uitwoon | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitwonen |
| uitwoonde | subordinate-clause, verleden tijd | uitwonen |
| uitwoonden | subordinate-clause, verleden tijd | uitwonen |
| uitwoont | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitwonen |
| wone uit | woordvorm | uitwonen |
| wonen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitwonen |
| woon uit | gebiedende wijs | uitwonen |
| woonde uit | verleden tijd | uitwonen |
| woonden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitwonen |
| woont uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitwonen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitwonen zijn vastgelegd.