uitwijken
werkwoordBetekenis
- van richting veranderen om een obstakel te vermijden
- naar een ander land vluchten, veelal om politieke redenen
- (in België) emigreren; ook verhuizen naar een ander landsgedeelte in België
werkwoord
- emigreren; ook verhuizen naar een ander landsgedeelte in België
Vervoeging van uitwijken
uitwijkenhele werkwoord — week uitverleden tijd enkelvoud — weken uitverleden tijd meervoud — uitgewekenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | wijk uit | week uit |
| jij | wijkt uit | week uit |
| hij, zij, het | wijkt uit | week uit |
| wij | wijken uit | weken uit |
| jullie | wijken uit | weken uit |
| zij | wijken uit | weken uit |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgeweken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgeweken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgeweken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgeweken | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgeweken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgeweken | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgeweken | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgeweken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgeweken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgeweken | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgeweken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgeweken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgeweken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgeweken | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgeweken | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgeweken | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitwijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te wijken | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen wijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal wijken | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou wijken | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden wijken | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt wijken | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen wijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen wijken | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult wijken | bijzin, toekomende tijd |
| uitgeweken | verleden tijd, deelwoord |
| uitgeweken te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgeweken zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitweek | bijzin, verleden tijd |
| uitweken | bijzin, verleden tijd |
| uitwijk | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitwijkend | onvoltooid, deelwoord |
| uitwijkt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| week uit | verleden tijd |
| wijk uit | gebiedende wijs |
| zal uitgeweken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgeweken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgeweken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitwijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitwijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitwijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitwijken | bijzin, toekomende tijd |
| zou uitgeweken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgeweken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgeweken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitwijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitwijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitwijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitwijken | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitwijken uit zou(dt) wijken | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgeweken hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgeweken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgeweken hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitwijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitwijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitwijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitwijken | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgeweken hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitwijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitwijken | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgeweken hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgeweken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgeweken hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitwijken | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitwijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitwijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitwijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitwijken | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgeweken hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitwijken | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult uitwijken | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal uitwijken uit zult/zal wijken | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van uit bw en wijken ww
Woordfamilie van uitwijken
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uitgeweken | voltooid deelwoord | uitwijken |
| uitwijk | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitwijken |
| uitwijke | with-subordinate-clause | uitwijken |
| uitwijkend | onvoltooid deelwoord | uitwijken |
| uitwijkende | woordvorm | uitwijken |
| uitwijkt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitwijken |
| wijk uit | gebiedende wijs | uitwijken |
| wijke uit | woordvorm | uitwijken |
| wijken uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitwijken |
| wijkt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitwijken |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitwijken zijn vastgelegd.