Naar de inhoud

uitweken

door weken laten verdwijnen

uitweken

werkwoord

Betekenis

  1. door weken laten verdwijnen

Vervoeging van uitweken

uitwekenhele werkwoord — weekte uitverleden tijd enkelvoud — weekten uitverleden tijd meervoud — uitgeweektvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik week uit weekte uit
jij weekt uit weekte uit
hij, zij, het weekt uit weekte uit
wij weken uit weekten uit
jullie weken uit weekten uit
zij weken uit weekten uit
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had uitgeweekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgeweekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgeweekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgeweekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgeweekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgeweekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgeweekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgeweekt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben uitgeweekt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitweken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te weken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen weken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal weken bijzin, toekomende tijd
uit zou weken bijzin, voorwaardelijk
uit zouden weken bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt weken bijzin, voorwaardelijk
uit zullen weken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen weken bijzin, toekomende tijd
uit zult weken bijzin, toekomende tijd
uitgeweekt verleden tijd, deelwoord
uitgeweekt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgeweekt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitweek bijzin, tegenwoordige tijd
uitweekt bijzin, tegenwoordige tijd
uitweekte bijzin, verleden tijd
uitweekten bijzin, verleden tijd
uitwekend onvoltooid, deelwoord
week uit gebiedende wijs
weekte uit verleden tijd
zal uitgeweekt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgeweekt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgeweekt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitweken bijzin, toekomende tijd
zou uitgeweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgeweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgeweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitweken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitweken uit zou(dt) weken bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgeweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgeweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgeweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitweken bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgeweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitweken bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgeweekt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgeweekt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgeweekt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitweken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitweken bijzin, toekomende tijd
zult uitgeweekt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitweken bijzin, toekomende tijd
zult/zal uitweken uit zult/zal weken bijzin, toekomende tijd

Woordvorm

  • meervoud verleden tijd van uitwijken

Vervoeging van uitweken

uitwekenhele werkwoord — weekte uitverleden tijd enkelvoud — weekten uitverleden tijd meervoud — uitgeweektvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik week uit weekte uit
jij weekt uit weekte uit
hij, zij, het weekt uit weekte uit
wij weken uit weekten uit
jullie weken uit weekten uit
zij weken uit weekten uit
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ev. gebiedende wijs
had uitgeweekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgeweekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgeweekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgeweekt voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgeweekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgeweekt voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgeweekt voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgeweekt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgeweekt voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben uitgeweekt actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitweken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te weken actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen weken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal weken bijzin, toekomende tijd
uit zou weken bijzin, voorwaardelijk
uit zouden weken bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt weken bijzin, voorwaardelijk
uit zullen weken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen weken bijzin, toekomende tijd
uit zult weken bijzin, toekomende tijd
uitgeweekt verleden tijd, deelwoord
uitgeweekt te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgeweekt zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitweek bijzin, tegenwoordige tijd
uitweekt bijzin, tegenwoordige tijd
uitweekte bijzin, verleden tijd
uitweekten bijzin, verleden tijd
uitwekend onvoltooid, deelwoord
week uit gebiedende wijs
weekte uit verleden tijd
zal uitgeweekt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgeweekt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgeweekt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitweken bijzin, toekomende tijd
zou uitgeweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgeweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgeweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitweken bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitweken uit zou(dt) weken bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgeweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgeweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgeweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitweken bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgeweekt hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitweken bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgeweekt hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgeweekt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgeweekt hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitweken actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitweken bijzin, toekomende tijd
zult uitgeweekt hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitweken aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitweken bijzin, toekomende tijd
zult/zal uitweken uit zult/zal weken bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van uit en weken

Woordfamilie van uitweken

Woordvorm Relatie Afgeleid van
uitgeweekt voltooid deelwoord uitweken
uitweekt subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitweken
uitweekte subordinate-clause, verleden tijd uitweken
uitweekten subordinate-clause, verleden tijd uitweken
uitweke with-subordinate-clause uitweken
uitwekend onvoltooid deelwoord uitweken
uitwekende woordvorm uitweken
weekt uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitweken
weekte uit verleden tijd uitweken
weekten uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitweken
weke uit woordvorm uitweken

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitweken zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitweken

Wat betekent uitweken?
Uitweken is een werkwoord. Het woord betekent: door weken laten verdwijnen.
Hoe vervoeg je uitweken?
Je vervoegt uitweken als volgt: het voltooid deelwoord is uitgeweekt. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitweken is 18 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. W 5
  5. E 1
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 18 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitweken levert met Wordfeud minimaal 17 en maximaal 81 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. W 5
  5. E 1
  6. K 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. 17 zonder bonus
  10. 81 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (W) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitweken in het kort

uitweken staat in dit woordenboek als werkwoord. Van uitweken zijn 45 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort uitweken bij een woordfamilie van 11 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

uitweken: door weken laten verdwijnen
Deel uitweken — standaardnederlands.nl