uitwassen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- door wassen verwijderen
- groeiend te voorschijn komen, naar buiten of uit iets groeien, zich ontwikkelen
Vervoeging van uitwassen
uitwassenhele werkwoord — waste uitverleden tijd enkelvoud — wasten uitverleden tijd meervoud — uitgewassenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | was uit | waste uit |
| jij | wast uit | waste uit |
| hij, zij, het | wast uit | waste uit |
| wij | wassen uit | wasten uit |
| jullie | wassen uit | wasten uit |
| zij | wassen uit | wasten uit |
Alle 147 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgewassen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgewassen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgewassen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgewassen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgewassen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgewassen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgewassen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgewassen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgewassen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgewassen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgewassen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgewassen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgewassen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgewassen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgewassen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgewassen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgewassen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgewassen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgewassen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgewassen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgewassen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgewassen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgewassen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgewassen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgewassen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgewassen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgewassen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgewassen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitwassen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te wassen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen wassen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal wassen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou wassen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden wassen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt wassen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen wassen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen wassen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult wassen | bijzin, toekomende tijd |
| uitgewassen | verleden tijd, deelwoord |
| uitgewassen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgewassen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgewassen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgewassen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgewassen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgewassen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgewassen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgewassen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgewassen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgewassen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitwas | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitwassend | onvoltooid, deelwoord |
| uitwast | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitwaste | bijzin, verleden tijd |
| uitwasten | bijzin, verleden tijd |
| uitwies | bijzin, verleden tijd |
| uitwiesen | bijzin, verleden tijd |
| waart uitgewassen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgewassen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgewassen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgewassen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uit | gebiedende wijs |
| was uitgewassen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgewassen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgewassen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| waste uit | verleden tijd |
| werd uitgewassen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgewassen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgewassen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgewassen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgewassen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgewassen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgewassen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgewassen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgewassen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgewassen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgewassen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgewassen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgewassen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgewassen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgewassen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgewassen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgewassen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgewassen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgewassen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgewassen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitwassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitwassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitwassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitwassen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgewassen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgewassen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgewassen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgewassen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgewassen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgewassen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgewassen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgewassen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgewassen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgewassen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgewassen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgewassen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgewassen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitwassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitwassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitwassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitwassen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitwassen uit zou(dt) wassen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgewassen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgewassen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgewassen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgewassen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgewassen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgewassen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgewassen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgewassen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgewassen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitwassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitwassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitwassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitwassen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgewassen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgewassen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgewassen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitwassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitwassen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgewassen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgewassen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgewassen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgewassen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgewassen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgewassen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgewassen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgewassen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgewassen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitwassen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitwassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitwassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitwassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
Vervoeging van uitwassen
uitwassenhele werkwoord — waste uitverleden tijd enkelvoud — wasten uitverleden tijd meervoud — uitgewassenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | was uit | waste uit |
| jij | wast uit | waste uit |
| hij, zij, het | wast uit | waste uit |
| wij | wassen uit | wasten uit |
| jullie | wassen uit | wasten uit |
| zij | wassen uit | wasten uit |
Alle 147 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgewassen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgewassen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgewassen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgewassen | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgewassen | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgewassen | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgewassen worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgewassen zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgewassen worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgewassen zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgewassen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgewassen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgewassen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgewassen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgewassen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgewassen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgewassen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgewassen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgewassen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgewassen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgewassen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgewassen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgewassen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgewassen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgewassen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgewassen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgewassen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgewassen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitwassen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te wassen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen wassen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal wassen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou wassen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden wassen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt wassen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen wassen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen wassen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult wassen | bijzin, toekomende tijd |
| uitgewassen | verleden tijd, deelwoord |
| uitgewassen te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgewassen te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgewassen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgewassen te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgewassen te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgewassen worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgewassen zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgewassen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgewassen zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgewassen zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitwas | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitwassend | onvoltooid, deelwoord |
| uitwast | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitwaste | bijzin, verleden tijd |
| uitwasten | bijzin, verleden tijd |
| uitwies | bijzin, verleden tijd |
| uitwiesen | bijzin, verleden tijd |
| waart uitgewassen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgewassen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgewassen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgewassen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uit | gebiedende wijs |
| was uitgewassen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgewassen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgewassen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgewassen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgewassen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgewassen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgewassen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgewassen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgewassen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgewassen | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| wies uit | verleden tijd |
| word uitgewassen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgewassen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgewassen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgewassen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgewassen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgewassen | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgewassen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgewassen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgewassen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgewassen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgewassen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgewassen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgewassen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitwassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitwassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitwassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitwassen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgewassen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgewassen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgewassen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgewassen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgewassen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgewassen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgewassen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgewassen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgewassen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgewassen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgewassen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgewassen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgewassen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitwassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitwassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitwassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitwassen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitwassen uit zou(dt) wassen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgewassen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgewassen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgewassen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgewassen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgewassen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgewassen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgewassen zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgewassen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgewassen zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitwassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitwassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitwassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitwassen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgewassen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgewassen worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgewassen zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitwassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitwassen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgewassen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgewassen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgewassen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgewassen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgewassen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgewassen worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgewassen zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgewassen zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgewassen zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitwassen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitwassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitwassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitwassen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord uitwas
Herkomst
samenstelling van uit en wassen
Woordfamilie van uitwassen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uitgewassen | voltooid deelwoord | uitwassen |
| uitwasse | with-subordinate-clause | uitwassen |
| uitwassend | onvoltooid deelwoord | uitwassen |
| uitwassende | woordvorm | uitwassen |
| uitwast | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitwassen |
| uitwaste | subordinate-clause, verleden tijd | uitwassen |
| uitwasten | subordinate-clause, verleden tijd | uitwassen |
| uitwies | subordinate-clause, verleden tijd | uitwassen |
| uitwiesen | subordinate-clause, verleden tijd | uitwassen |
| was uit | gebiedende wijs | uitwassen |
| wasse uit | woordvorm | uitwassen |
| wassen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitwassen |
| wast uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitwassen |
| waste uit | verleden tijd | uitwassen |
| wasten uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitwassen |
| wies uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, enkelvoud, 1e persoon | uitwassen |
| wiesen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitwassen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitwassen zijn vastgelegd.