uitwas
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- wat naar buiten uitgroeit
- ongewenste of ziekelijke doorontwikkeling (van een fenomeen, beleid, handeling, e.d.)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| uitwasje | verkleinwoord, enkelvoud |
| uitwasjes | verkleinwoord, meervoud |
| uitwassen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van uitwassen
Vervoeging van uitwas
uitwashele werkwoord
Herkomst
Leenvertaling van wetenschappelijk Latijn excrescentia, voor het eerst aangetroffen in 1640 in een werk van de Zuid-Nederlandse jezuïet Adriaan Poirters, voor vindplaats zie hieronder, en vervolgens opgenomen in het invloedrijke woordenboek van de Amsterdamse classicus en filosoof Lodewijk Meyer (1629-1681).
Woordfamilie van uitwas
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uitwasje | verkleinwoord | uitwas |
| uitwasjes | verkleinwoord meervoud | uitwas |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitwas zijn vastgelegd.