uitvoegen
werkwoord ˈœytfuɣə(n)Betekenis
- verlaten van een doorgaande rijstrook naar een rijstrook daarnaast
Hoe spreek je uitvoegen uit?
/ˈœytfuxən/
Uitvoegen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| t | tak |
| f | fiets |
| u | boek |
| x | acht |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van uitvoegen
uitvoegenhele werkwoord — voegde uitverleden tijd enkelvoud — voegden uitverleden tijd meervoud — uitgevoegdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | voeg uit | voegde uit |
| jij | voegt uit | voegde uit |
| hij, zij, het | voegt uit | voegde uit |
| wij | voegen uit | voegden uit |
| jullie | voegen uit | voegden uit |
| zij | voegen uit | voegden uit |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgevoegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgevoegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgevoegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgevoegd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgevoegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgevoegd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgevoegd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgevoegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgevoegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgevoegd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgevoegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgevoegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgevoegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgevoegd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgevoegd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben uitgevoegd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitvoegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te voegen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen voegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal voegen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou voegen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden voegen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt voegen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen voegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen voegen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult voegen | bijzin, toekomende tijd |
| uitgevoegd | verleden tijd, deelwoord |
| uitgevoegd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgevoegd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitvoeg | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitvoegde | bijzin, verleden tijd |
| uitvoegden | bijzin, verleden tijd |
| uitvoegend | onvoltooid, deelwoord |
| uitvoegt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| voeg uit | gebiedende wijs |
| voegde uit | verleden tijd |
| zal uitgevoegd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgevoegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgevoegd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitvoegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitvoegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitvoegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitvoegen | bijzin, toekomende tijd |
| zou uitgevoegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgevoegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgevoegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitvoegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitvoegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitvoegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitvoegen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitvoegen uit zou(dt) voegen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgevoegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgevoegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgevoegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitvoegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitvoegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitvoegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitvoegen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgevoegd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitvoegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitvoegen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgevoegd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgevoegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgevoegd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitvoegen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitvoegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitvoegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitvoegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitvoegen | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgevoegd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitvoegen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult uitvoegen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal uitvoegen uit zult/zal voegen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van uit bw en voegen ww
Woordfamilie van uitvoegen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uitgevoegd | voltooid deelwoord | uitvoegen |
| uitvoeg | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitvoegen |
| uitvoegde | subordinate-clause, verleden tijd | uitvoegen |
| uitvoegden | subordinate-clause, verleden tijd | uitvoegen |
| uitvoege | with-subordinate-clause | uitvoegen |
| uitvoegend | onvoltooid deelwoord | uitvoegen |
| uitvoegende | woordvorm | uitvoegen |
| uitvoegt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitvoegen |
| voeg uit | gebiedende wijs | uitvoegen |
| voegde uit | verleden tijd | uitvoegen |
| voegden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitvoegen |
| voege uit | woordvorm | uitvoegen |
| voegen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitvoegen |
| voegt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitvoegen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitvoegen zijn vastgelegd.