uitvlucht
zelfstandig naamwoord ˈœytflʏxtBetekenis
- (schijn)argument (pretext, smoes, voorwendsel) dat men aanvoert om aan iets te ontkomen
Hoe spreek je uitvlucht uit?
/ˈœytflʏxt/
Uitvlucht bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| t | tak |
| f | fiets |
| l | land |
| ʏ | put |
| x | acht |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- argument (pretext, smoes, voorwendsel) dat men aanvoert om aan iets te ontkomen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| uitvluchten | meervoud |
| uitvluchtje | verkleinwoord, enkelvoud |
| uitvluchtjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van uit en vlucht of van uitvliegen
Woordfamilie van uitvlucht
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| uitvluchten | meervoud | uitvlucht |
| uitvluchtje | verkleinwoord | uitvlucht |
| uitvluchtjes | verkleinwoord meervoud | uitvlucht |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitvlucht zijn vastgelegd.