uitteren
werkwoordBetekenis
- vooral van mensen en dieren door ziekte en gebrek langzaam zwakker en magerder worden totdat met dood gaat
werkwoord
- vooral van mensen en dieren door ziekte en gebrek langzaam zwakker en magerder worden totdat men dood gaat
Vervoeging van uitteren
uitterenhele werkwoord
Herkomst
samenstelling van uit bw en teren ww
Woordfamilie van uitteren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| teer uit | woordvorm | uitteren |
| teerde uit | woordvorm | uitteren |
| teerden uit | woordvorm | uitteren |
| teert uit | woordvorm | uitteren |
| tere uit | woordvorm | uitteren |
| teren uit | woordvorm | uitteren |
| uitteer | with-subordinate-clause | uitteren |
| uitteerde | with-subordinate-clause | uitteren |
| uitteerden | with-subordinate-clause | uitteren |
| uitteert | with-subordinate-clause | uitteren |
| uittere | with-subordinate-clause | uitteren |
| uitterend | woordvorm | uitteren |
| uitterende | woordvorm | uitteren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitteren zijn vastgelegd.