uitsterven
werkwoord ˈœytstɛrvə(n)Betekenis
- het proces waarbij alle individuen van een soort de dood vinden en er een eind komt aan het bestaan van de soort
Hoe spreek je uitsterven uit?
/ˈœytstɛrvən/
Uitsterven bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| t | tak |
| s | sok |
| ɛ | bed |
| r | rood |
| v | vis |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van uitsterven
uitstervenhele werkwoord — stierf uitverleden tijd enkelvoud — stierven uitverleden tijd meervoud — uitgestorvenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | sterf uit | stierf uit |
| jij | sterft uit | stierf uit |
| hij, zij, het | sterft uit | stierf uit |
| wij | sterven uit | stierven uit |
| jullie | sterven uit | stierven uit |
| zij | sterven uit | stierven uit |
Alle 75 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben uitgestorven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgestorven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is uitgestorven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgestorven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| sterf uit | gebiedende wijs |
| stierf uit | verleden tijd |
| te zijn uitgestorven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitsterven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te sterven | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen sterven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal sterven | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou sterven | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden sterven | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt sterven | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen sterven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen sterven | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult sterven | bijzin, toekomende tijd |
| uitgestorven | verleden tijd, deelwoord |
| uitgestorven te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgestorven zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitsterf | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitsterft | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitstervend | onvoltooid, deelwoord |
| uitstierf | bijzin, verleden tijd |
| uitstierven | bijzin, verleden tijd |
| waart uitgestorven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgestorven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgestorven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgestorven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgestorven | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgestorven | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgestorven | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal uitgestorven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgestorven zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgestorven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitsterven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitsterven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitsterven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitsterven | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgestorven | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn uitgestorven | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgestorven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgestorven | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgestorven | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgestorven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgestorven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgestorven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitsterven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitsterven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitsterven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitsterven | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitsterven uit zou(dt) sterven | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgestorven zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgestorven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgestorven zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitsterven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitsterven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitsterven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitsterven | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgestorven zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitsterven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitsterven | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgestorven zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgestorven zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgestorven zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitsterven | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitsterven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitsterven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitsterven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitsterven | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgestorven zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitsterven | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult uitsterven | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal uitsterven uit zult/zal sterven | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van uit bw en sterven ww
Woordfamilie van uitsterven
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| sterf uit | gebiedende wijs | uitsterven |
| sterft uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitsterven |
| sterve uit | woordvorm | uitsterven |
| sterven uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitsterven |
| stierf uit | verleden tijd | uitsterven |
| stierven uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitsterven |
| uitsterf | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitsterven |
| uitsterft | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitsterven |
| uitsterve | with-subordinate-clause | uitsterven |
| uitstierf | subordinate-clause, verleden tijd | uitsterven |
| uitstierven | subordinate-clause, verleden tijd | uitsterven |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitsterven zijn vastgelegd.