uitschijnen
werkwoord ˈœytsxɛinə(n)Betekenis
- meer zichtbaar worden
- licht afgeven, uitstralen
- het licht afgeven voltooid hebben, niet langer stralen
Hoe spreek je uitschijnen uit?
/ˈœytsxɛinən/
Uitschijnen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| œy | huis |
| t | tak |
| s | sok |
| x | acht |
| ɛi | trein |
| n | nek |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van uitschijnen
uitschijnenhele werkwoord — scheen uitverleden tijd enkelvoud — schenen uitverleden tijd meervoud — uitgeschenenvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | schijn uit | scheen uit |
| jij | schijnt uit | scheen uit |
| hij, zij, het | schijnt uit | scheen uit |
| wij | schijnen uit | schenen uit |
| jullie | schijnen uit | schenen uit |
| zij | schijnen uit | schenen uit |
Alle 74 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgeschenen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgeschenen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgeschenen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgeschenen | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgeschenen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgeschenen | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgeschenen | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgeschenen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgeschenen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgeschenen | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgeschenen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgeschenen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgeschenen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgeschenen | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgeschenen | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| scheen uit | verleden tijd |
| schijn uit | gebiedende wijs |
| te hebben uitgeschenen | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitschijnen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te schijnen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen schijnen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal schijnen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou schijnen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden schijnen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt schijnen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen schijnen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen schijnen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult schijnen | bijzin, toekomende tijd |
| uitgeschenen | verleden tijd, deelwoord |
| uitgeschenen te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgeschenen zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitscheen | bijzin, verleden tijd |
| uitschenen | bijzin, verleden tijd |
| uitschijn | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitschijnend | onvoltooid, deelwoord |
| uitschijnt | bijzin, tegenwoordige tijd |
| zal uitgeschenen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgeschenen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgeschenen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitschijnen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitschijnen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitschijnen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitschijnen | bijzin, toekomende tijd |
| zou uitgeschenen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgeschenen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgeschenen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitschijnen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitschijnen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitschijnen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitschijnen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitschijnen uit zou(dt) schijnen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgeschenen hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgeschenen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgeschenen hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitschijnen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitschijnen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitschijnen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitschijnen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgeschenen hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitschijnen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitschijnen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgeschenen hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgeschenen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgeschenen hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitschijnen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitschijnen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitschijnen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitschijnen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitschijnen | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgeschenen hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitschijnen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult uitschijnen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal uitschijnen uit zult/zal schijnen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
van Middelnederlands uteschinen, op te vatten als samenstelling van uit bw en schijnen ww
Woordfamilie van uitschijnen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| scheen uit | verleden tijd | uitschijnen |
| schenen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitschijnen |
| schijn uit | gebiedende wijs | uitschijnen |
| schijne uit | woordvorm | uitschijnen |
| schijnen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitschijnen |
| schijnt uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitschijnen |
| uitgeschenen | voltooid deelwoord | uitschijnen |
| uitscheen | subordinate-clause, verleden tijd | uitschijnen |
| uitschenen | subordinate-clause, verleden tijd | uitschijnen |
| uitschijn | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitschijnen |
| uitschijne | with-subordinate-clause | uitschijnen |
| uitschijnend | onvoltooid deelwoord | uitschijnen |
| uitschijnende | woordvorm | uitschijnen |
| uitschijnt | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitschijnen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitschijnen zijn vastgelegd.