Naar de inhoud

uitregenen

door regenval gedoofd worden

uitregenen

werkwoord

Betekenis

  1. door regenval gedoofd worden
  2. door regenval geen doorgang hebben of mislukken
  3. door regenval geheel zijn vocht verliezen

Vervoeging van uitregenen

uitregenenhele werkwoord — regende uitverleden tijd enkelvoud — regenden uitverleden tijd meervoud — is uitgeregendvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik regen uit regende uit
jij regent uit regende uit
hij, zij, het regent uit regende uit
wij regenen uit regenden uit
jullie regenen uit regenden uit
zij regenen uit regenden uit
Alle 78 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
ben uitgeregend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgeregend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
ev. gebiedende wijs
is uitgeregend verleden tijd, deelwoord
is uitgeregend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgeregend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
regen uit gebiedende wijs
regende uit verleden tijd
regent uit tegenwoordige tijd
te zijn uitgeregend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitregenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te regenen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen regenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal regenen bijzin, toekomende tijd
uit zou regenen bijzin, voorwaardelijk
uit zouden regenen bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt regenen bijzin, voorwaardelijk
uit zullen regenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen regenen bijzin, toekomende tijd
uit zult regenen bijzin, toekomende tijd
uitgeregend verleden tijd, deelwoord
uitgeregend te zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgeregend zullen zijn actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitregen bijzin, tegenwoordige tijd
uitregende bijzin, verleden tijd
uitregenden bijzin, verleden tijd
uitregenend onvoltooid, deelwoord
uitregent bijzin, tegenwoordige tijd
waart uitgeregend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgeregend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgeregend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgeregend voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgeregend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgeregend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgeregend voltooid, verleden tijd, derde persoon
zal uitgeregend zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgeregend zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgeregend zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitregenen toekomende tijd
zal uitregenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitregenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitregenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitregenen bijzin, toekomende tijd
zijn uitgeregend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
zijn uitgeregend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgeregend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgeregend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgeregend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgeregend zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgeregend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgeregend zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitregenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitregenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitregenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitregenen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitregenen uit zou(dt) regenen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgeregend zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgeregend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgeregend zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitregenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitregenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitregenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitregenen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgeregend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitregenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitregenen bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgeregend zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgeregend zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgeregend zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitregenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitregenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitregenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitregenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitregenen bijzin, toekomende tijd
zult uitgeregend zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult uitregenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zult uitregenen bijzin, toekomende tijd
zult/zal uitregenen uit zult/zal regenen bijzin, toekomende tijd

Herkomst

samenstelling van uit en regenen

Woordfamilie van uitregenen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
regen uit gebiedende wijs uitregenen
regende uit verleden tijd uitregenen
regenden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitregenen
regene uit woordvorm uitregenen
regenen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitregenen
regent uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitregenen
uitregen subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitregenen
uitregende subordinate-clause, verleden tijd uitregenen
uitregenden subordinate-clause, verleden tijd uitregenen
uitregene with-subordinate-clause uitregenen
uitregenend onvoltooid deelwoord uitregenen
uitregenende woordvorm uitregenen
uitregent subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitregenen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitregenen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitregenen

Wat betekent uitregenen?
Uitregenen is een werkwoord. Het woord betekent: door regenval gedoofd worden. Deze pagina beschrijft 3 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je uitregenen?
Je vervoegt uitregenen als volgt: het voltooid deelwoord is is uitgeregend. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitregenen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. R 2
  5. E 1
  6. G 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. E 1
  10. N 1
  11. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitregenen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 66 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. R 2
  5. E 1
  6. G 3
  7. E 1
  8. N 1
  9. E 1
  10. N 1
  11. 16 zonder bonus
  12. 66 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (G) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitregenen in het kort

uitregenen staat in dit woordenboek als werkwoord. Hierboven staan 3 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van uitregenen zijn 46 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort uitregenen bij een woordfamilie van 13 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

uitregenen: door regenval gedoofd worden
Deel uitregenen — standaardnederlands.nl