uitregenen
werkwoordBetekenis
- door regenval gedoofd worden
- door regenval geen doorgang hebben of mislukken
- door regenval geheel zijn vocht verliezen
Vervoeging van uitregenen
uitregenenhele werkwoord — regende uitverleden tijd enkelvoud — regenden uitverleden tijd meervoud — is uitgeregendvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | regen uit | regende uit |
| jij | regent uit | regende uit |
| hij, zij, het | regent uit | regende uit |
| wij | regenen uit | regenden uit |
| jullie | regenen uit | regenden uit |
| zij | regenen uit | regenden uit |
Alle 78 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ben uitgeregend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgeregend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| ev. | gebiedende wijs |
| is uitgeregend | verleden tijd, deelwoord |
| is uitgeregend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgeregend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| regen uit | gebiedende wijs |
| regende uit | verleden tijd |
| regent uit | tegenwoordige tijd |
| te zijn uitgeregend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitregenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te regenen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen regenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal regenen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou regenen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden regenen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt regenen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen regenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen regenen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult regenen | bijzin, toekomende tijd |
| uitgeregend | verleden tijd, deelwoord |
| uitgeregend te zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgeregend zullen zijn | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitregen | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitregende | bijzin, verleden tijd |
| uitregenden | bijzin, verleden tijd |
| uitregenend | onvoltooid, deelwoord |
| uitregent | bijzin, tegenwoordige tijd |
| waart uitgeregend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgeregend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgeregend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgeregend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgeregend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgeregend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgeregend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| zal uitgeregend zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgeregend zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgeregend zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitregenen | toekomende tijd |
| zal uitregenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitregenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitregenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitregenen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgeregend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| zijn uitgeregend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgeregend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgeregend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgeregend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgeregend zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgeregend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgeregend zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitregenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitregenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitregenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitregenen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitregenen uit zou(dt) regenen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgeregend zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgeregend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgeregend zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitregenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitregenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitregenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitregenen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgeregend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitregenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitregenen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgeregend zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgeregend zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgeregend zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitregenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitregenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitregenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitregenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitregenen | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgeregend zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult uitregenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zult uitregenen | bijzin, toekomende tijd |
| zult/zal uitregenen uit zult/zal regenen | bijzin, toekomende tijd |
Herkomst
samenstelling van uit en regenen
Woordfamilie van uitregenen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| regen uit | gebiedende wijs | uitregenen |
| regende uit | verleden tijd | uitregenen |
| regenden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitregenen |
| regene uit | woordvorm | uitregenen |
| regenen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitregenen |
| regent uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitregenen |
| uitregen | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitregenen |
| uitregende | subordinate-clause, verleden tijd | uitregenen |
| uitregenden | subordinate-clause, verleden tijd | uitregenen |
| uitregene | with-subordinate-clause | uitregenen |
| uitregenend | onvoltooid deelwoord | uitregenen |
| uitregenende | woordvorm | uitregenen |
| uitregent | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitregenen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitregenen zijn vastgelegd.