Naar de inhoud

uitoefenen

in praktijk brengen

uitoefenen

werkwoord

Betekenis

  1. in praktijk brengen

Vervoeging van uitoefenen

uitoefenenhele werkwoord — oefende uitverleden tijd enkelvoud — oefenden uitverleden tijd meervoud — uitgeoefendvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik oefen uit oefende uit
jij oefent uit oefende uit
hij, zij, het oefent uit oefende uit
wij oefenen uit oefenden uit
jullie oefenen uit oefenden uit
zij oefenen uit oefenden uit
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgeoefend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgeoefend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgeoefend impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgeoefend impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgeoefend impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgeoefend impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgeoefend worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgeoefend zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgeoefend worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgeoefend zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgeoefend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgeoefend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgeoefend voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgeoefend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgeoefend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgeoefend voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgeoefend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgeoefend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgeoefend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgeoefend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgeoefend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgeoefend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgeoefend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgeoefend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgeoefend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgeoefend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgeoefend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
oefen uit gebiedende wijs
oefende uit verleden tijd
te hebben uitgeoefend actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitoefenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te oefenen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen oefenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal oefenen bijzin, toekomende tijd
uit zou oefenen bijzin, voorwaardelijk
uit zouden oefenen bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt oefenen bijzin, voorwaardelijk
uit zullen oefenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen oefenen bijzin, toekomende tijd
uit zult oefenen bijzin, toekomende tijd
uitgeoefend verleden tijd, deelwoord
uitgeoefend te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgeoefend te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgeoefend te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgeoefend te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgeoefend te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgeoefend worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgeoefend zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgeoefend zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgeoefend zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgeoefend zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitoefen bijzin, tegenwoordige tijd
uitoefende bijzin, verleden tijd
uitoefenden bijzin, verleden tijd
uitoefenend onvoltooid, deelwoord
uitoefent bijzin, tegenwoordige tijd
waart uitgeoefend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgeoefend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgeoefend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgeoefend voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgeoefend voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgeoefend voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgeoefend voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgeoefend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgeoefend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgeoefend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgeoefend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgeoefend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgeoefend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgeoefend enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgeoefend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgeoefend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgeoefend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgeoefend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgeoefend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgeoefend enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitgeoefend hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgeoefend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgeoefend hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgeoefend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgeoefend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgeoefend zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgeoefend zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitoefenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitoefenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitoefenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitoefenen bijzin, toekomende tijd
zijn uitgeoefend voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgeoefend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgeoefend voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgeoefend voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgeoefend hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgeoefend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgeoefend hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgeoefend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgeoefend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgeoefend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgeoefend zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgeoefend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgeoefend zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitoefenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitoefenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitoefenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitoefenen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitoefenen uit zou(dt) oefenen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgeoefend hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgeoefend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgeoefend hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgeoefend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgeoefend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgeoefend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgeoefend zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgeoefend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgeoefend zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitoefenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitoefenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitoefenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitoefenen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgeoefend hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgeoefend worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgeoefend zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitoefenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitoefenen bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgeoefend hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgeoefend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgeoefend hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgeoefend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgeoefend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgeoefend worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgeoefend zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgeoefend zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgeoefend zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitoefenen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitoefenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitoefenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitoefenen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitoefenen bijzin, toekomende tijd
zult uitgeoefend hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

samenstelling van uit bw en oefenen ww

Woordfamilie van uitoefenen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
oefen uit gebiedende wijs uitoefenen
oefende uit verleden tijd uitoefenen
oefenden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitoefenen
oefene uit woordvorm uitoefenen
oefenen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitoefenen
oefent uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitoefenen
uitgeoefend voltooid deelwoord uitoefenen
uitgeoefende woordvorm uitoefenen
uitoefen subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitoefenen
uitoefende subordinate-clause, verleden tijd uitoefenen
uitoefenden subordinate-clause, verleden tijd uitoefenen
uitoefene with-subordinate-clause uitoefenen
uitoefenend onvoltooid deelwoord uitoefenen
uitoefenende woordvorm uitoefenen
uitoefent subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitoefenen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitoefenen zijn vastgelegd.

Veelgestelde vragen over uitoefenen

Wat is de betekenis van uitoefenen?
Uitoefenen is een werkwoord. De betekenis is: in praktijk brengen.
Hoe vervoeg ik uitoefenen?
Zo vervoeg je uitoefenen zo: het voltooid deelwoord is uitgeoefend. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitoefenen is 17 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. O 1
  5. E 1
  6. F 4
  7. E 1
  8. N 1
  9. E 1
  10. N 1
  11. 17 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitoefenen levert met Wordfeud minimaal 16 en maximaal 72 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. O 1
  5. E 1
  6. F 4
  7. E 1
  8. N 1
  9. E 1
  10. N 1
  11. 16 zonder bonus
  12. 72 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (F) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitoefenen in het kort

uitoefenen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van uitoefenen staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitoefenen bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitoefenen: in praktijk brengen
Deel uitoefenen — standaardnederlands.nl