uitoefenen
werkwoordBetekenis
- in praktijk brengen
Vervoeging van uitoefenen
uitoefenenhele werkwoord — oefende uitverleden tijd enkelvoud — oefenden uitverleden tijd meervoud — uitgeoefendvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | oefen uit | oefende uit |
| jij | oefent uit | oefende uit |
| hij, zij, het | oefent uit | oefende uit |
| wij | oefenen uit | oefenden uit |
| jullie | oefenen uit | oefenden uit |
| zij | oefenen uit | oefenden uit |
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben uitgeoefend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent uitgeoefend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is uitgeoefend | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was uitgeoefend | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd uitgeoefend | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt uitgeoefend | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal uitgeoefend worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal uitgeoefend zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou uitgeoefend worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou uitgeoefend zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| had uitgeoefend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had uitgeoefend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had uitgeoefend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden uitgeoefend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden uitgeoefend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden uitgeoefend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt uitgeoefend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb uitgeoefend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgeoefend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben uitgeoefend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben uitgeoefend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben uitgeoefend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt uitgeoefend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgeoefend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft uitgeoefend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is uitgeoefend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is uitgeoefend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| oefen uit | gebiedende wijs |
| oefende uit | verleden tijd |
| te hebben uitgeoefend | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen uitoefenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit te oefenen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uit te zullen oefenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uit zal oefenen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zou oefenen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zouden oefenen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zoudt oefenen | bijzin, voorwaardelijk |
| uit zullen oefenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uit zullen oefenen | bijzin, toekomende tijd |
| uit zult oefenen | bijzin, toekomende tijd |
| uitgeoefend | verleden tijd, deelwoord |
| uitgeoefend te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgeoefend te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| uitgeoefend te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgeoefend te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgeoefend te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| uitgeoefend worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgeoefend zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| uitgeoefend zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgeoefend zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitgeoefend zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| uitoefen | bijzin, tegenwoordige tijd |
| uitoefende | bijzin, verleden tijd |
| uitoefenden | bijzin, verleden tijd |
| uitoefenend | onvoltooid, deelwoord |
| uitoefent | bijzin, tegenwoordige tijd |
| waart uitgeoefend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgeoefend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren uitgeoefend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren uitgeoefend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was uitgeoefend | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was uitgeoefend | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was uitgeoefend | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd uitgeoefend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd uitgeoefend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd uitgeoefend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden uitgeoefend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden uitgeoefend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden uitgeoefend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt uitgeoefend | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word uitgeoefend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden uitgeoefend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden uitgeoefend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden uitgeoefend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt uitgeoefend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt uitgeoefend | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal uitgeoefend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgeoefend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal uitgeoefend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitgeoefend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgeoefend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal uitgeoefend zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal uitgeoefend zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal uitoefenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal uitoefenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal uitoefenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zal uitoefenen | bijzin, toekomende tijd |
| zijn uitgeoefend | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn uitgeoefend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn uitgeoefend | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt uitgeoefend | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou uitgeoefend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgeoefend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgeoefend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitgeoefend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgeoefend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou uitgeoefend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgeoefend zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou uitgeoefend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou uitgeoefend zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou uitoefenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou uitoefenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou uitoefenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zou uitoefenen | bijzin, voorwaardelijk |
| zou(dt) uitoefenen uit zou(dt) oefenen | bijzin, voorwaardelijk |
| zouden uitgeoefend hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgeoefend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgeoefend hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgeoefend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitgeoefend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitgeoefend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitgeoefend zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden uitgeoefend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden uitgeoefend zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden uitoefenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden uitoefenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden uitoefenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zouden uitoefenen | bijzin, voorwaardelijk |
| zoudt uitgeoefend hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgeoefend worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitgeoefend zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt uitoefenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zoudt uitoefenen | bijzin, voorwaardelijk |
| zullen uitgeoefend hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgeoefend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgeoefend hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgeoefend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitgeoefend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitgeoefend worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitgeoefend zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen uitgeoefend zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen uitgeoefend zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen uitoefenen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen uitoefenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen uitoefenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen uitoefenen | aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zullen uitoefenen | bijzin, toekomende tijd |
| zult uitgeoefend hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
Herkomst
samenstelling van uit bw en oefenen ww
Woordfamilie van uitoefenen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| oefen uit | gebiedende wijs | uitoefenen |
| oefende uit | verleden tijd | uitoefenen |
| oefenden uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | uitoefenen |
| oefene uit | woordvorm | uitoefenen |
| oefenen uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon | uitoefenen |
| oefent uit | aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | uitoefenen |
| uitgeoefend | voltooid deelwoord | uitoefenen |
| uitgeoefende | woordvorm | uitoefenen |
| uitoefen | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitoefenen |
| uitoefende | subordinate-clause, verleden tijd | uitoefenen |
| uitoefenden | subordinate-clause, verleden tijd | uitoefenen |
| uitoefene | with-subordinate-clause | uitoefenen |
| uitoefenend | onvoltooid deelwoord | uitoefenen |
| uitoefenende | woordvorm | uitoefenen |
| uitoefent | subordinate-clause, tegenwoordige tijd | uitoefenen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitoefenen zijn vastgelegd.